donderdag 22 juni 2017

Sint-Truiden, begijnhofkerk - meer muurschilderingen

Van de schilderingen uit het begin van de veertiende eeuw is het moeilijk foto's te maken: de apostelen Johannes, Petrus en Paulus (die dus geen apostel was) zitten achter het hoogaltaar, en daar kun je niet makkelijk bij. Ik heb er op het internet wel een gevonden van de 'Heilige Maria Magdalena met Vera Icoon': het verhaal dat dat de Heilige Veronica zou moeten zijn, wordt hier als apocrief bestempeld, en men vertelt dat het Christus' beste vriendin is die zijn beeld toont. De schildering is wel een beetje beschadigd, maar je ziet alleen aan de stijl al dat ze ouder is dan de meeste muurschilderingen in de kerk.


Maria Magdalena met de Vera Icoon

En als je beter toekijkt, ontdek je dat sommige van de schilderingen hoogstwaarschijnlijk door dezelfde kunstenaar gemaakt zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval met de 'Annunciatie' en de 'Heilige Elisabeth van Hongarije of Thüringen'; je vindt trouwens ook vlak bij elkaar: nummers 23 en 24 zijn het. Ze hebben dezelfde vloer op de voorgrond, en dezelfde aandacht voor het mooi vallen van hun gewaden. Dat moet wel van dezelfde schilder zijn. Elisabeth draagt een bord met twee vissen, en dat is erg toepasselijk: ondanks haar eerder ongelukkig leven (zij was nochtans de dochter van de koning van Hongarije) stond zij de armen metterdaad bij, en bracht hen voedsel, en ze verzorgde zieken. Zij is de heilige door wie nogal wat ziekenhuizen haar naam dragen. Links onderaan zie je weer twee begijntjes zitten. En wandtapijt uit 1540 dat aan haar leven gewijd is, hangt in de Sint-Katharinakerk in Hoogstraten: ook zeer bezienswaardig.


De Heilige Elisabeth van Hongarije of Thüringen


De Annunciatie

Een tweede Maria Magdalena uit het begin van de zestiende eeuw wordt afgebeeld met een zalfpot in haar handen: zij heeft de voeten van Christus gezalfd, vandaar. Deze schilder heeft bij de plooienval van haar kleed veel dikkere lijnen gebruikt.


De Heilige Maria Magdalena

On getwijfeld dezelfde man is aan het werk geweest bij de 'Marteling van de Heilige Agatha'. Zij wilde niet met een heidense keizer trouwen, want zij was al de bruid van Christus. Ondanks forse vernederingen bleef zij haar geloof trouw, zodat ze tenslotte gemarteld werd: haar borsten zonder veel omhaal gewoon afgeknipt of afgesneden. Maar een man - in wie men Sint Petrus zaag - genas haar. Uiteindelijk stierf ze toch ten gevolge van martelingen. Agatha was van Sicilië, en zij wordt aangeroepen als Catania en de streek er rond weer eens bedreigd worden door uitbarstingen van de Etna.


Marteling van de Heilige Agatha

Als je er de verhaaltjes van de vrouwelijke heiligen uit de eerste eeuwen van het christendom op naleest, zie je dat ze steeds op hetzelfde neerkomen: een mooie jonge maagd wordt door een heidens man als bruid verlangd, zij weigert dat omdat ze christen is, ze wordt dan gefolterd, wordt martelares en tot de eer van het altaar verheven. Celibataire vrouwen zoals begijnen moeten zich daardoor aangesproken hebben gevoeld, in illo tempore. Daar ging met dan toch van uit.

woensdag 21 juni 2017

Sint-Truiden, begijnhofkerk - de muurschilderingen

Wat de begijnhofkerk van Sint-Truiden zo speciaal maakt zijn de 37 muur- en pilaarschilderingen: op een na zijn ze allemaal gerestaureerd, maar die ene is best nog wel in goede staat. Het zal ook niet verbazen dat voor begijnen vooral vrouwelijke heiligen werden afgebeeld: zij waren de te volgen voorbeelden, en hun inspiratie en navolging zou tot de eeuwige zaligheid leiden, zou ze bij hun Bruidegom brengen. Maar ook andere onderwerpen uit de katholieke leer komen aan bod.

Een redelijk grote muurschildering beeldt de 'Zeven werken van barmhartigheid' uit. Dat werk is in vijf vakken verdeeld: uiterst links en rechts bovenaan worden in één vak telkens twee werken behandeld, en zo is toch wat ruimte bespaard om ze er alle zeven bij elkaar op te krijgen: laten we een beetje creatief zijn, zal de schilder gedacht hebben. Links boven zien we 'de naakten kleden' en 'de vreemdelingen onderdak verlenen' - Angela Merkel was met 'wir schaffen das' echt wel bijbelvast - rechts boven 'worden de hongerigen gespijsd' en 'de dorstigen gelaafd', vlak daaronder 'de zieken verzorgd', aan de linkerkant 'de gevangenen bezocht'. Centraal staat natuurlijk 'de doden begraven': je moet zeker zorgen voor iemand die op weg is naar de hemelse zaligheid. Op de plaatje over de gevangenen zie je dat de zittende figuur voetboeien draagt, de bezoeker praat tegen hem of haar, en op de achtergrond slaat een engel het tafereel goedkeurend gade. Niet alleen begijnen kwamen naar deze kerk, ook gewone gelovigen, de meesten allicht analfabeet, en door deze visuele didactische middelen konden zij ook weten en begrijpen waar het over ging, en wat van hen verwacht werd.


De zeven werken van barmhartigheid (einde 16de eeuw)

Heel interessant is ook een 'Rozenkrans', ook al uit het einde van de 16de eeuw.
In het centrale deel zit een Sint-Anna-te-drieën - alle drie hebben ze de aureool van de heiligheid - en voor heen zit een heilige te bidden: mogelijk een minderbroeder, want hij draagt de tonsuur. Achter Maria zit naar alle waarschijnlijkheid een begijn: die zie je meer op de schilderingen in deze kerk:. Waarschijnlijk is zij de opdrachtgeefster van dit werk, en die wilde dan ook  afgebeeld worden. Biddende engelen boven hen geven het tafereel iets paradijslijks. Rond het grote vignet beelden aan aantal andere het lijdensverhaal van Christus uit: een echte kruisweg als het ware, maar met vijftien staties in plaats van de ons vertrouwde veertien. In de hoeken van onderen tonen twee engelen attributen die met de passie van Jezus te maken hebben, maar boven zweven er twee eerder triomfantelijk: onze zonden zijn door zijn dood uitgewist en de dood is overwonnen.


De rozenkrans

Maria is natuurlijk ook prominent aanwezig in deze kerk voor religieuze vrouwen, met de vertrouwde thema's overigens. Een annunciatie ontbreekt dan natuurlijk niet: dat is eigenlijk het allereerste begin van de heilsgeschiedenis.Ik zou zeggen dat dit werk schilderkunstig beter is dan de vorige: veel aandac ht is besteed aan de plooienval van de kleren, pictural hebben we hier met een hoger niveau te maken.


Annunciatie of verkondiging van de boodschap aan Maria (begin 16de eeuw)

Uit dezelfde periode dateert de 'Dood van Maria en haar Tenhemelopneming', een andere  schildering met meer dan een onderwerp. In de vijftiende eeuw heeft Hugo van der Goes een prachtige 'Dood van Maria' geschilderd, waarop zijj op haar sterfbed omringd wordt door de apostelen en Christus vanuit de hemel op het tafereel toekijkt. Hier krijg je grotendeels dezelfde scène te zien: apostelen  en heiligen rond de pas overleden Moeder Gods die nog een kaars in haar linkerhand gedrukt krijgt. Helemaal links boven geleiden engelen Maria de hemel in. Opnieuw worden de katholieke geloofswaarheden aanschouwelijk, en in een eerder naïeve taal voorgesteld, voor iedereen begrijpelijk. Deze schildering is de enige in deze kerk die niet gerestaureerd werd: opvallend is hoe goed ze bewaard is.


Dood van Maria en Tenhemelopneming

Men zou veel van deze schilderingen naïef en charmant kunnen noemen, maar dat is dan het eerder neerbuigende oordeel van een twintigste-eeuwer die vindt 'dass alles schon da gewesen ist'. En dat verdienen deze godsdienstige kunstwerkjes niet: ze zijn interessante getuigen van een manier van streven naar geluk die voor velen van ons niet meer geldt. Maar niettemin komen ze mij  ontroerend over.

maandag 19 juni 2017

Sint-Truiden: de begijnhofherk

Sint-Truiden heeft een zeer oud begijnhof: het werd al gesticht in het jaar 1258! Dat heeft een mooie, eenvoudige kerk, die in 1265 werd in gewijd, en die zowel romaanse als gotische kenmerken heeft, hoewel men van een vroeggotisch gebouw spreekt. Na de dertiende eeuw werd de oorspronkelijk kleine kerk verbouwd en vergroot, zodat wat er nu staat pas in 1511 voltooid was.


De begijnhofkerk van Sint-Truiden

Voor een begijnhof is het een tamelijk grote kerk: als je er binnenkomt, krijg je in ieder geval en gevoel van veel ruimte. Dat komt ook wel door het feit dat ze nauwelijks meubilair bevat. De ramen hebben gotische spitsbogen, maar de zuilen zijn onmiskenbaar romaans: stoer en fors zijn ze, vierkant ook, uit een stuk als het ware, zonder gotische pijlers ter versiering, en met een versterkte voet.


Voetstuk van een zuil: sterk en kaal

Wat ook opvalt: de kerk heeft een houten tongewelf, en dat zie je niet zo vaak. In West-Vlaanderen, in de kuststreek heb ik er zo wel een aantal gezien, maar elders eigenlijk niet. Hier dus wel. De foto hieronder suggereert ook de grote afmetingen van de kerk, en enige strengheid: vooral wit, geen beelden, geen schilderijen aan de muren. Het bevalt mij wel, moet ik zeggen.


Het tongewelf boven de ruime kerk


Het tongewelf in het hoogkoor

Deze kerk doet me denken aan die van de abdij van Sénanque, in de Provence: die is natuurlijk veel groter en robuuster, en die heeft nog veel meer de pure essentie van wat een kerk kan zijn, maar Sint-Truiden komt toch aardig in de buurt. En onbekende parel is deze begijnhofkerk, en dan heb ik het nog niet gehad over de muurschilderingen: dat is pas een verrassing!


De voorgevel, met een romaanse rondboog boven de toegangspoort

vrijdag 16 juni 2017

Het Sint-Jobretabel van Schoonbroek - II

Het meest opvallende deel van het Sint-Jobretabel is natuurlijk het beeldhouwwerk waarin het lijden van Job wordt weergegeven. 'het is niet al goud wat blinkt' zegt men, maar hier is dat bijna wel het geval, om het een ietsje overdreven te formuleren. En heel veel kleuren ook: 'gepolychromeerd' is hier echt wel op zijn plaats. Op het bovenste deel is Job omringd door zijn familie: dat is het einde van zijn rampspoed en ellende: hij glimlacht, net zoals de figuurtjes naast hem. 'En de Heer bracht een keer in het lot van Job, toen hij voor zijn vrienden gebeden had, en de Heer gaf Job het dubbele van al wat hij bezeten had. Toen kwamen al zijn broeders en zusters en al zijn vroegere bekenden tot hem en aten met hem in zijn huis.' (Job 42 : 10-11) Job heeft zich Gods trouwe dienaar getoond, en God beloont hem dan ook.


De beloning, de bekroning: Jobs voorspoed is terug

Een ander tafereel toont wat ook al in de predella te zien was: knechten worden doodgestoken, het vee geroofd. Zoals in de vorige scène vallen de kleuren op, maar ook de levendigheid van de minutieus gebeeldhouwde figuurtjes: regelrecht monnikenwerk moet dat geweest zijn, je vraagt je af hoe de makers dat ooit klaargespeeld hebben. Uitmuntende ambachtslui waren zijn  ongetwijfeld.


De tweede jobstijding gebeeldhouwd

Het boek Job is vooral een een filosofisch-religieuze discussie over het lijden. Drie vrienden komen naar de ongelukkige om hem te troosten en te beklagen: die vrienden heten Elifaz, Bildad en Sofar en samen proberen zij te achterhalen waar het lijden vandaan komt en wat de zin ervan is. Elifaz stelt dat niemand onschuldig lijdt, maar dat na de kastijding zegen komt. Bildad beweert dan weer dat God naar recht straft. Sofar raadt Job dan weer aan zich voor de alwetende God te 'verootmoedigen'. Zo praten zij een hele tijd verder over de niet meest voor de hand liggende aspecten van het lijden, tot  God zelf tussenkomt en tot de drie bezoekers zegt hij: 'Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw beide vrienden, want gij hebt niet recht van Mij gesproken zoals mijn knecht Job'. Waarop dan Jobs eerherstel volgt en nog veel meer dan dat.


Aankomst van de drie vrienden


De drie vrienden worden door God weggestuurd

Met zijn verdubbelde bezit en rijkdom leidt Job nog een lang en gelukkig leven: 'Daarna leefde Job nog honderd veertig jaar; hij zag zijn kinderen en kindskinderen, vier geslachten. En Job stierf oud en van het leven verzadigd' (Job 42 : 16-17) Job zou tweehonderd jaar oud geworden zijn: alleen mythologische personages kunnen dat; je vindt ze bij de Joden zowel als bij de Grieken.

Het Boek Job is een zeer stichtelijk verhaal dat aanspoort tot trouw aan God en braafheid, en zo wordt iedereen in de samenleving op zijn plats gehouden. En het retabel, zoveel eeuwen na het verhaal', maakt alles indrukwekkend aanschouwelijk. Mooi is het wel, dat tenminste.

dinsdag 13 juni 2017

Merksplas Kolonie - De landloper

Als je het bezoekerscentrum van Merksplas Kolonie binnenloopt, passeer je de officiële negentiende-eeuwse naam van de instelling: 'Koloniën van Weldadigheid'. Die Koloniën dateren nog uit de tijd van het korte bestaan van het 'Koninkrijk der Verenigde Nederlanden'. Willem I, toen onze koning, wist kennelijk dat hij met deze vorm van liefdadigheid goed deed. En misschien was dat ook wel zo: sinds de wet op de landloperij in 1993 afgeschaft werd, nam het verschijnsel 'dakloze' echt wel toe. En dat probleem vraagt toch ook een oplossing, denk ik dan.


Tegenwoordig 'open dag', maar niet meer voor landlopers: die zijn van naam veranderd.

Als ik dan binnen sta, word ik getroffen dat een behoorlijk grote foto die ik meteen herken: hij staat namelijk op de omslag van het boek 'Landlopers' van Toon Horsten. Die foto trekt mijn ongelooflijk aan: een oude man kijkt je niet eens aan, glimlacht hij een heel klein beetje, vraag ik me af, zijn haar is wat de Engelsen 'unkempt' noemen, ongekamd, maar zeker ook slonzig en verwaarloosd. Een met rimpels doorgroefd gezicht heeft hij, getuige van een hard leven allicht. Wat doet die foto toch met mij, blijf ik me afvragen. En toen schoot door mijn hoofd 'Zie mij aan, arme Spaanse vluchteling', een regel van een lied van voor Wereldoorlog Twee, over de inderdaad Spaanse vluchtelingen die toen in België en Nederland terechtgekomen waren. Jeroen Olyslaegers citeert het in zijn roman 'Wil'. En ik heb het, toen ik elf of twaalf was vaak gehoord op de koffergrammofoon van Bompa, toestel dat mijn vader naar ons thuis getransporteerd had. Op een dertigtoerenplaat was dat nog, ergens in 1958-1960. Maar toen lichtte het mij helemaal op: 'Ecce Homo' is de foto van deze oude man. En met liefde is dat beeld gemaakt, tenminste, zo voel ik dat: de fotograaf tast de waardigheid van de oude helemaal niet aan, en hoe ellendig en armzalig zijn leven ook geweest mag, deerniswekkend komt hij mij niet over, eerder 'sympahtiek', in de oorsproneklijke betekenis van het woord: 'medevoelend, mede-lijdend'. Enorm geslaagd vind ik dit beeld.

De foto is gemaakt door James Noble, en die hoort thuis in Toronto, Canada. Of ik daar de juiste Noble mee gevonden heb, weet ik niet, want de man maakt vooral reportages van huwelijken en foto's van 'well-to-do burghers'. Maar dat Toon Horsten voor zijn boek een foto van iemand van de andere kant van de wereld gebruikt, vind ik dan weer getuigend van enige kiesheid: geen Vlaming of Belg zal hier een verwant in herkennen. Ik vind het allemaal nogal indrukwekkend.


Ecce Homo

Een vleugje humor: het bezoekerscentrum is ondergebracht in de vroeger varkensstallen. het achterdeel van een zeug met drie biggetjes steekt uit een van de poortjes. Op een of andere manier was Merksplas Kolonie toch vruchtbaar.


Her verleden in kunststof geëvoceerd

Merksplas Kolonie: het bezoeken waard, zeker ook voor de natuur.

zondag 11 juni 2017

Het Sint-Jobretabel van Schoonbroek - I

Het Sint-Jobretabel in het kerkje van Schoonbroek zuigt onmiddellijk alle aandacht naar zich toe: het domineert de hele ruimte. Zelfs als het gesloten is, besef je dat dit wel iets meer is dan wat geschilderde figuurtjes op houten panelen. Het is behoorlijk groot en daardoor erg verrassend dat het in zo'n klein kerkje van te lande hangt. Op de gesloten luiken zijn vier 'heiligen' afgebeeld: de tweede van links is zonder twijfel Christus zelf, zegenend met zijn rechterhand, een wereldbol in zijn linkerhand. Links naast hem staat volgens mij de Heilige Johannes: ik meen hem aan zijn kruisstaf te herkennen. Wie de heiligen aan de rechterkant zijn, weet ik niet, maar zij tonen teksten, die allicht een waarborg voor de waarheid zijn. Boven deze vier zie je nog twee heiligen te paard, en helemaal van boven troont Job zelf, als voorbeeld par excellence van gelijkmoedigheid,  trouw aan en vertrouwen in God, overdekt met zijn zweren, spreekwoordelijk in zak en as.


Het gesloten retabel

Het geopende retabel is overweldigend: centraal is het al goud dat blinkt, links en rechts wordt Jobs leven voor en na zijn ongelooflijke beproeving geschilderd.


Het geopende retabel


Idem, van dichterbij

Op het linkerluik zie je Jobs leven voor de beproeving: hij is een rijke burger, zijn huis ziet eruit als een kasteel, zijn tafel is goed gedekt, het gezelschap gedraagt zich aan tafel zeer beschaafd: hij is een man die het gemaakt heeft. In het schilderijtje rechts onderaan merk je dat zijn zeer voorspoedige omstandigheden Job niet beletten zijn God trouw te blijven: hij zit voor een altaar waarop zijn offeranden liggen te bidden; hij is werkelijk een onberispelijk en voorbeeldig man.


Het linkerluik

Aan de rechterkant wordt Job beloond voor zijn trouw en vertrouwen tijdens zijn periode van verlies en ellende: hij heeft weer een vrouw, kinderen, en zijn 'kasteel' dat ook vernietigd was, wordt weer opgebouwd. Welstand en gezelligheid zijn terug: God is nog altijd sterker dat de Satan die Job dat alles mocht aandoen.


Het rechterluik

De mythe van Job is prachtig didactisch materiaal dat de gelovigen moest stichten, en dat is hier wel zeer mooi uitgebeeld. Maar het meest sensationele deel van het verhaal blijft bewaard voor het centrale deel van het retabel: Jobs ellende.

vrijdag 9 juni 2017

Het Sint-Jobretabel van Schoonbroek - predella

Het Sint-Jobretabel in Schoonbroek is ondertussen in de streek genoegzaam bekend, maar je krijgt het in zijn geheel maar zelden te zien. Verleden zondag had ik nog eens de kans: toevallig gelezen in de Gazet van Antwerpen, bij het Kempens nieuws. Ik daar dus naartoe, helaas een klein beetje te laat, maar toch nog op tijd genoeg om een plaatselijke kenner een deel van zijn toelichting te horen geven.

Hij had het onder andere over de predella - het voetstuk van het retabel - en wat er op de schilderijtjes te zien was: de drie jobstijdingen. Ik heb het boek Job ooit wel eens gelezen, maar na de uitleg van de man ben ik het nog eens na gaan kijken.


De predella boven het Lam Gods

In het begin van het verhaal - in proza - overkomen Job drie rampen: zijn veestapel wordt vernietigd: in de Bijbel luidt het dan: 'Op een zekere dag ... kwam een bode tot Job en zeide: 'De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen dicht erbij aan het grazen, toen de Sabeeërs een inval deden en ze roofden; en de knechten sloegen zij met de scherpte des zwaards; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.' (Job I : 13-15)

Dat wordt uitgebeeld in het eerste schilderijtje: gedode schapen, een vermoorde en een vluchtende knecht, en iets meer naar achteren een Sabeeër die nog volop schapen aan het slachten is: de rampspoed en dramatiek zijn duidelijk.


De eerste jobstijding

Maar dat is nog maar het begin: een tweede stam komt eraan en sticht zo mogelijk nog meer onheil. Het Oude Testament gaat zo verder: 'De Chaldeeën hadden drie bendes gevormd, overvielen de kamelen en roofden ze; en de knechten sloegen zij met de scherpte des zwaards: ik alleen maar ben ontkomen om om het aan u te zeggen.' (Job I : 17)

Typisch ook hoe de verteller dezelfde vaste zinnen of delen ervan gebruikt. Op het schilderijtje zie je geen kamelen, maar wel de Chaldeeën die met bruut wapengeweld de knechten afslachten. Meer drama dan op het eerste deeltje van de predella, dat is duidelijk.


De tweede jobstijding

De derde ramp wordt niet door menselijk vijanden veroorzaakt, maar door het weer. Een derde bode komt naar Job met zijn mededeling: 'Uw zonen en dochters waren aan het eten en wijndrinken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, en zie, daar stak een zware storm op van over de woestijn, greep het huis bij de vier hoeken aan, en het viel op de jonge mensen, zodat zij stierven; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.' (Job I : 18-19)

Je ziet de Jobs zonen en dochters in uiterste verschrikking opkijken naar de zoldering van het huis dat zo meteen in zal storten en hen doden: beweging en drama genoeg, want het zijn mensen, de kinderen van Job die ten onder gaan!


De derde jobstijding

Na al deze ellende die hem getroffen heeft, en waardoor hij alleen zichzelf nog niet verloren heeft, reageert Job met de in dit geval verbluffende woorden: 'De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd.' Als voorbeeld van gelijkmoedigheid kan dat tellen. (Job : I -21) Overigens eindigt het toneelstuk 'Schipper naast God' van Jan de Hartog ook met deze uitspraak, maar hier gaat het over een totaal ander conflict (Joden vlak voor de Tweede Wereldoorlog ergens veilig aan land krijgen)

Ondertussen is het wel goed gezien is het om voor deze predella de eerste drie rampen te kiezen die Job teisteren: daar begint het allemaal mee, het is het voetstuk, het fundament van het verhaal van Job. Waar hij zelf dan mee geteisterd wordt, is onderwerp van het eigenlijke retabel, en dat is, zoals we nog zullen zien, overvloedig rijk.

De taal van het verhaal verdient ook bijzondere aandacht: 'de scherpte des zwaards', 'het vuur Gods', 'ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen': het doet me aan Homerus denken. Het op een gewone manier zeggen dringt veel minder door: ze staken ze neer, ze werden doodgebliksemd, ik ben zo snel mogelijk naar hier gekomen om het te vertellen? Dat klinkt veel te prozaïsch, dat is te gewoontjes. Bij God en dergelijke rampen passen plechtstatigheid en verhevenheid: dat heeft de auteur goed aangevoeld, zijn manier van formuleren boezemt ontzag in, wat de schrijver natuurlijk wilde bereiken.

Dit gaat dan niet over schilderwerkjes uit de eerste helft van de zestiende eeuw, wel over religieuze verhalen van vijf of meer eeuwen voor Christus en hoe ze te vertellen. En dat geeft je toch een beetje inzicht in de mensen van toen. Kracht van de literatuur is dat!