zondag 13 mei 2018

In het Vennengebied: het Schaddenkot

Als je geregeld in het Vennengebied rondscootmobielt, zie je dat natuurlijk niet drastisch veranderen. Maar toch, maar toch. In de beginjaren (vanaf 2003) dat ik de wegen en paden daar onveilig maakte, was er best wat activiteit: het gebied werd als het ware gerestaureerd, met Europese steun nog wel, want het is een echt uniek stukje natuur. Het Haverven werd schoongemaakt, een uitkijktoren werd gebouwd, exoten zoals de Amerikaanse eik gerooid. Make America great again: daar doen wij niet aan! En zo kom ik tot de vaststelling dat het Vennengebied er de laatste 15 jaar echt wel op vooruitgegaan is.

Maar dat gaat maar over een kort bestek van tijd. Als je het over een periode van 100 of 150 jaar bekijkt, 'is alles zoveel lelijker geworden'! Dat is de titel van een krantenartikel dat aan de deur van het 'schaddenkot' hangt, vlak bij de Klein Engelandhoeve. Dat artikel heeft het over de conservator van het Vennengebied, Marc Smets, die lezingen houdt over de geschiedenis van het gebied. De mens heeft het landschap gaandeweg omgevormd, met natuurlijk ook diepgaande gevolgen voor fauna en flora. Hij krijgt 'een wrang gevoel bij de manier waarop in Vlaanderen met de natuur omgesprongen wordt'. In Nederland is het helemaal anders: in Noord-Brabant liggen nog duizenden hectaren heide, bij ons blijft er alleen de Kalmthoutse over. Overigens: als je Marc Smets zijn verhaal wil horen vertellen: op woensdag 13 maart 2019 doet hij het in Beerse uit de doeken. Dat is nog een eindje weg, maar ik zal er zeker zijn.


Marc Smets: hoe we bijna alles verknoeid hebben

Dat 'schaddenkot' dan: dat is een beschermde lemen woning uit 1771 die in Retie stond. Schoonfamilie van me woont in Zoersel in de 'Schaddenstraat': het woord was me niet helemaal onbekend. Een 'schadde' is een gedroogde veenachtige zode die als brandstof werd gebruikt, zoiets als turf van mindere kwaliteit zou ik denken. En in zo'n schaddenkot werden die dus bewaard of opgestapeld. Heel veel woning kon zoiets dus niet zijn. Maar ja, wie woonde daarin: arme heikneuters die in de Kempen trachtten te overleven. Het schaddenkot bij Klein Engelandhoeve wacht nog op zijn voltooiing: de lemen voorgevel ontbreekt nog. Wel hebben pannen het rieten dak van vroeger vervangen: dat zal de reconstructor steviger en veiliger geleken hebben. En zo is weer een stuk erfgoed bewaard.


Het schaddenkot uit Retie, oorspronkelijk uit 1771

Alles mag in het Vennengebied dan weel veel lelijker geworden: bloemen blijven het mooi een aantrekkelijk maken. Margrieten vind je op diverse plaatsen, zoals bij de fietsbrug, waar je het Bels Lijntje op kan.

donderdag 10 mei 2018

Landschap De Liereman

Het hoeft niet altijd het Vennengebied te zijn als je uit gaat rijden: de Liereman is bijna even dichtbij. Ik daar dus nog eens heen: je kunt een uitkijktoren opklimmen, watervogels spotten aan de Brakeleer, en om te eindigen stap je het goede gedocumenteerde bezoekerscentrum, waar ze met nijvere ijver een goede Gageleer schenken.

In het Vennengebied ken ik de weg veel beter, dat is als het ware mijn achtertuin. In de Liereman wandel je van knooppunt naar knooppunt, maar je moet goed uitkijken: de verkeerde kant uit scootmobielen is echt niet onmogelijk. Of op een karspoor terechtkomen, waarvan de rechterkant lager ligt dan de linker, ik vertraag helaas te laat, zodat ik naar rechts omflikker, maar met enige moeite red ik mezelf. Wel met een gevolg: bloed aan mijn rechteroorschelp, maar niet  overvloedig. Onversaagd verder, tot ik aan een hek op het midden van het wegeltje kom: een wandelaar kan er makkelijk voorbij, een buggy kun je er zonder moeite overheen tillen, maar voor mijn voertuig betekent het 'stop, en niet verder'. Ik begrijp dergelijke obstakels wel: tegen brommers en lichte motoren, tegen joyriders staan die daar, maar ik vind het eerder sneu dat een autonome mens met een beperking er het slachtoffer van is. Anderzijds: dat probleem is moeilijk op te lossen natuurlijk.

De Uitkijktoren is mijn eerste stop: van boven heb je een gezicht op de vennen eronder: maar geen enkele watervogel laat zich spotten. Wel vogelgeluiden alom: vinken, tjiftjafs, en een koekoek, maar die laat zich natuurlijk niet zien. De natuur leeft wel, stel ik vast.


De uitkijktoren in het groen


Het meertje onder de toren

Iets wat de Liereman graag onder de aandacht brengt, is de 'Kempische stal'. Op de website van de Liereman vind je er een goede uitleg over: 'het is een schuur zoals die eeuwenlang in onze streken gebouwd werd. Ze heeft een stevige eikenhouten structuur, de muren zijn gemaakt van gevlochten takken die ingestreken werden met een mengsel van klei, leem, kalk, stro en urine van koeien. (Afgezien van de eik lijkt het wel Afrika). Het dak bestaat uit riet en lisdodde.' Dat klopt hier duidelijk niet: riet zie je wel, maar ook gewone dakpannen. Dat komt doordat deze schuur pas in de jaren 90 van de vorige eeuw gebouwd is: ze komt van een boerderij uit Lichtaart, stond op het punt te verdwijnen, maar is naar Oud-Turnhout verhuisd, en zo gered.


Gered erfgoed: de Kempische stal

Zeer interessant is de Brakeleer: op dat gebied ligt een ven waar de watervogels zich wel laten zien, en die je via je foto's kunt identificeren of determineren: Canadese ganzen zijn er, maar die zitten zowat overal waar water te vinden is. Maar je ziet er ook scholeksters, die te herkennen zijn aan hun niet zo korte, rechte en rode snavel. Ook de slobeend geeft er present: met haar nogal lange snavel, voor een eend toch, slobbert zij voortdurend het ondiepe water naar voedsel. Aan haar kleuren kun je haar ook thuiswijzen. De grootste eend die ik daar gezien heb, is de bergeend: 61 cm kan zij worden.


Van links naar rechts: een scholekster, twee Canadese ganzen en een slobeend


De linkse zwemmer in het midden is een bergeend

En om af te sluiten: bloemen bloeien ook in mei. Wilde hyacinten staan zelfs in groepjes bij elkaar.


Wilde hyacinten

En toen was het tijd voor een Gageleer. Want van te veel natuurpracht dreigt het syndroom van Stendhal.

zondag 29 april 2018

Haspengouw: basiliek van Kortenbos

En dan kom je in een klein dorp, Kortenbos, blijkt daar een kerk te staan die de plattelandse afmetingen ver overschrijdt: officieel heet ze 'Basiliek van Maria Tenhemelopneming', en dat is ook al een hele mondvol. Hoe die daar zo gekomen is, dat is een verhaal op zichzelf. Het begint met een Mariabeeldje: de streek tussen Hasselt en Sint-Truiden werd in de zeventiende eeuw erg geteisterd door struikrovers, de outlaws van toen, verre voorlopers van de echte terroristen van nu. De oplossing: een beeld van de Heilige Maagd in een eik plaatsen, dat schijnt te helpen, want er volgt een kapel, de Mariavereerders stromen toe, het ene wonder volgt op het andere, en vanaf 1641 komt er een barokke bedevaartkerk in de plaats. Vlak voor de Vrede van Münster is dat, het einde van de Tachtigjarige Oorlog, en in de Zuidelijke Nederlanden was de contrareformatie volop aan de gang. Uit dezelfde jaren dateert de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van den Akker in Minderhout, en de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw in Werbeek (Retie): het ging bij wijze van spreken om een religieuze bouwwoede! Ook de basiliek is er een voorbeeld van: toen ze gebouwd werd, stond die letterlijk 'in the middle of nowhere'. De 'Ecclesia triumphans' zette op alle mogelijke plaatsen alle zeilen bij!


De Basiliek van Kortenbos vanaf het westen

Natuurlijk is het interieur van de kerk barok: de lambrisering is gewoon prachtig, de biechtstoelen zijn er efficiënt in verwerkt.


Lambrisering en biechtstoelen

Het belangrijkste religieuze object in deze basiliek is uiteraard het Mariabeeldje: het is terracotta en komt uit de eerste helft van de 17de eeuw. Je ziet van haar alleen hoofd, bovenlijf en het Christuskind op haar rechtarm. Hun allerheiligste verhevenheid wordt duidelijk gemaakt door de buiten proportie grote kronen die ze dragen. Vanaf haar middel draagt Maria een heel lang kleed: zo groot kan ze onmogelijk zijn, maar op versierd textiel is allerminst bespaard. Op dat kleed hangt dan nog stichtelijk een paternoster, die allicht moet aansporen of inspireren tot het bidden van de rozenkrans. Moeder en kind bevinden zich natuurlijk in een schitterende stralenkrans, terwijl haar lange kleed op letterlijk op een krans van rozen rust.


Onze-Lieve-Vrouw behoudenis der kranken


Idem, detail

In 1936 verleende Paus Pius XI deze kerk de titel van 'basilica minor'. Wat is dat dan weer, wil ik weten. Het betekent dat een bepaalde kerk uitzonderlijk is, omdat ze een belangrijke relikwie bewaart, of het centrum van een bepaalde devotie of bedevaart is, en dat laatste is hier het geval. Zo ook bijvoorbeeld de Basiliek van Scherpenheuvel, die ook al uit die tijd dateert.

Opnieuw vind ik het merkwaardig hoe actief en heftig de contrareformatie moet geweest zijn: dat was een propagandaslag die in onze gewesten zijn voorgaande nog niet gekend had. Om Wannes van de Velde te citeren: 'In die tijd was de Kerk om goed te zijn nog veel te sterk'.

vrijdag 27 april 2018

Haspengouw: bloesems en twee kastelen

Dan heb je al een zekere leeftijd, maar nog nooit heb je de bloesemde fruitbomen in Haspengouw gezien, terwijl je dat toch al jaren gewild had: maar te lui, te ver, geen weer of een andere uitleg die geen excuus is. Zaterdag 21 was het echter zo ver: een gezelschap van vier vrienden trekt de streek in. We zijn met de auto, wat van dichtbij kijken moeilijker maakt, maar toch genieten we van wit en roze, van laagstamcultuur en hier en daar een hoogstammige boomgaard, want die zijn wat ouderwets tegenwoordig: de plukkers kruipen kennelijk niet meer zo graag hoog in de bomen, en klimmen dat moeten de liefhebbers maar in de Alpen doen, zullen ze gedacht hebben.Ik maak een paar foto's van kerselaars, en prompt komt er een plukker, een Sikh, op me afgestapt: niet om me weg te jagen, hij wil gewoon een praatje slaan, in echt goed Nederlands met Limburgs accent, wat zou je willen. Een kompaan van hem komt erbij staan, en ze vertellen dat ze hier werken, maar ook in Alken: ze wonen en werken hier al tientallen jaren, en zijn best vriendelijk. Of ze echt goed geïntegreerd zijn, kan ik uit het kort gesprekje met maar twee mensen niet afleiden, maar ze spreken in ieder geval de landstaal en zoeken contact: ze hebben moeite gedaan en doen het nog.


Bloeiende kerselaars


Idem met Sikh, niet meer zo jonge plukker

Wat ik ook niet wist, is dat er nogal wat kastelen in deze regio staan: bijna ieder dorp heeft er een om 'U met een hoofdletter' tegen te zeggen. En grote vierkantshoeven, die doen het hier ook bijzonder goed. Vruchtbare grond is dat hier, die veel opbrengt, vandaar allicht die kastelen en grote boerderijen. In de Kempen met zijn zandgrond is dat wel anders: kleinere, welhaast schamele boerderijtjes, en de teelt bij uitstek: aardappelen, want wat wil er op dergelijke bodem groeien?

Maar kastelen dus, bijvoorbeeld dat van Duras: de naam van deze deelgemeente klinkt Frans, en de 's' op het einde van het woord wordt wel degelijk uitgesproken. De plaats waar dit kasteel staat, heeft een zeer lange geschiedenis: de oudste vermelding is een waterburcht van de graven van Duras op deze plaats, al in 1102. Die graven waren ongetwijfeld grootgrondbezitters, bepaalden en regeerden de streek zo, dat hun naam ook de naam van het dorp geworden is. Van die waterburcht is er natuurlijk niets meer over: het kasteel dat er nu staat, is gebouwd in 1787-1789, vlak voor de Franse Revolutie dus, vlak voor de val van het Ancien Régime. Het is een classicistisch gebouw dat 'lusthof' genoemd werd. Midden in een park ligt het, en je kunt er komen via een indrukwekkende platanendreef. Dat park zelf ligt dan weer in een domein van meer dan 100 ha: de uitdrukking 'arm maar proper' wordt hier allicht niet alle dagen gebruikt. Het kasteel is nog altijd bewoond, maar kan toch een paar keer per jaar bezocht worden.


Het kasteel van Duras, 1787-1789

Vlak tegenover de toegang tot de platanendreef valt een groot kruisbeeld op: naast de gekruisigde Christus staat een boerenechtpaar vroom te bidden. Onder de voeten van de gekruisigde lees ik een tekst die uitlegt waarom dat kruis daar staat:

Uit erkentenis voor de afgesmeekte en verkregen bescherming van de dorpen Duras Wilderen Gorsem en Runkelen durend de oorlog 1940-1945 hebben Graaf en Gravin Em d Oultremont de Duras en hunne kinderen dit beeld van den Beschermer opgericht en aan de vroomheid der dorpelingen toevertrouwd

Dat klinkt nogal paternalistisch: in hun goedheid hebben graaf en gravin dit kruisbeeld aan de dorpelingen cadeau gedaan, en die moeten er nu voortaan voor zorgen. Of lees ik dat verkeerd? Het interesseert me wel hoe de verhouding tussen adel en dorpelingen was: daar zou ik graag meer over weten.



'Het beeld van den Beschermer'

Het andere kasteel is te vinden in Ordingen: de heren met die naam worden al in 1040 vermeld, bijna 1.000 jaar geleden! Dat goed is nogal eens van eigenaar verwisseld: de westvleugel is redelijk authentiek (maar niet uit de 11de eeuw natuurlijk), de oostvleugel is gerestaureerd, ziet er minder oud uit, en het interieur wordt nu klaargemaakt om hotel te worden.


De 'authentieke' westvleugel

In de westvleugel merk je ook nog twee wapenschilden: van welke families die zijn, zou ik echter niet kunnen vertellen. Je zou die dingen moeten kunnen lezen, maar helaas, dat kan ik niet. Maar dat die niet ergens in de 20ste eeuw op die muur gepleisterd zijn, is wel duidelijk.



Wapenschild van wie?

In de 17de en 18de eeuw werd Ordingen 'een onderhorige commanderij van de landcommanderij van Alden Biezen'. Uit die tijd dateert het tweede wapenschild met het jaartal 1740. Boven een schild zie je een kroon, op het schild een kruis: een en ander zal mogelijk verwijzen naar de Teutoonse Orde, maar zeker ben ik daar niet van. Interessant gebouw is dit kasteel, met voor mij meer vragen dan antwoorden: ik zal me er nader in moeten verdiepen. En dat is Haspengouw wel waard: het is een mooie en rijke streek, en ik ga er zeker nog op zoek naar andere schatten.


Wapenschild uit 1740


Mijn gezelschap in Haspengouw: mensen van een ander soort van adel

donderdag 26 april 2018

De Bugatti van de Zoo

In de Zoo van Antwerpen zijn best wat beelden van dieren te vinden, en die zijn vaak de moeite van het bekijken zeer waard. Maar meer dan eens staat de naam van de beeldhouwer er niet bij, en dan moet je op zoek: het internet biedt dan dikwijls de oplossing. Zo was ik op zoek naar de kunstenaar die 'Aan 't water verrast' heeft gemaakt - Alfons van Beurden is dat - en zo stootte ik toevallig op de naam van de beeldhouwer van wat ik eerst dacht een luipaard te zijn, daarna een jaguar, en tenslotte 'De Siberische tijger'. 'Serendipity' noem je dat: iets vinden wat je eigenlijk niet aan het zoeken was. Maar goed, deze 'animalier' (dierenbeeldhouwer) draagt de naam 'Rembrandt Bugatti'. Een Italiaan was hij, dat maakt zijn achternaam duidelijk, en die heet met zijn voornaam dan 'Rembrandt': als dat niet eigenaardig is! Hij had ook een broer: Ettore, en dat is de man die het beroemde automerk 'Bugatti' heeft ontwikkeld: dure, snelle en exclusieve wagens zijn dat. Zijn broer is de kunstrichting uitgegaan: hun ouders waren zeer kunstzinnig, cultureel behoorlijk onderlegd en getuigend van een zeer goede smaak.

Die Rembrandt is geboren in 1884, en is in 1916 in Parijs uit het leven gestapt.
Hij heeft een enorme productie dierenbeelden nagelaten: zo'n 300 stuks! 'De Siberische tijger' is een van de weinige beelden die de Zoo nog van Bugatti heeft: eerder vreemd is dat, omdat Rembrandt lang in Antwerpen heeft gewoond en in de dierentuin actief is geweest, en er een tweehonderdtal van zijn beelden heeft ontworpen. Zo ook 'De Siberische tijger' in 1913, maar de Zoo had geen geld om het in brons te gieten; bovendien stond er een oorlog voor de deur. Het project werd dus op de lange baan geschoven, op de zeer lange baan in dit geval: in 2001 is het beeld alsnog in brons gegoten. En gelukkig maar: een indrukwekkende tijger is het geworden, immense kracht straalt hij uit. Hij ziet er ook eerder ruw uit: een glad gepolijst dier is het niet geworden. En terecht zo.


Rembrandt Bugatti: De Siberische tijger (eigen foto)


Op het internet gevonden

Uit een artikel in De Standaard van 8 januari 2016 leer ik dat hij, toen de oorlog uitbrak, werkte als vrijwilliger van het Rode Kruis, en hij was onder andere brancardier in de marmeren zaal van de dierentuin. Hij trok na enige tijd naar Parijs, waar in 1916 zelfmoord pleegde. Zijn werken halen tegenwoordig naar het schijnt hoge prijzen. De Zoo mag trots zijn op haar Bugatti, die er veel te laat zijn plaats gevonden heeft, maar die er desalniettemin staat. Een prachtig werk van een bijzonder kunstenaar is het!

donderdag 19 april 2018

De Zoo: vlinders, een beeld en een grutto

Zeer aantrekkelijk in de Antwerpse dierentuin is zeker de 'Vlindertuin', die voordien de 'Wintertuin' heette: het gebouw is in 1897 ontworpen door Emile Thielens, die voor het dak een ijzerdraagconstructie met veel glas gebruikt heeft. Het is op zichzelf al een merkwaardig bouwwerk. Het staat vol exotische planten, er zijn een paar waterpartijen en de temperatuur is meer dan best genoeglijk. Dat moet ook: vlinders alom, geen koolwitjes, citroentjes of blauwtjes, maar tropische exemplaren.


Vlindertuin, werk van Emile Thielens (1895-1897)

Wij hebben er vooral - eigenlijk alleen - blauwe morpho's gezien, maar die zijn dan ook talloos. Dat blauw zie je alleen als ze vliegen, want in rust laten ze  enkel de onderzijde van hun vleugels zien, en die zijn bruin met verschillende 'ogen'. Ik had de indruk dat die diertjes zo groot zijn als mussen of vinken. Niet hun lichaampjes, maar hun vleugels mogen er best zijn: ze hebben een spanwijdte van 10 tot 12 cm. In de natuur kun je hem spotten in de regenwouden van Midden- en Zuid-Amerika.


Een blauwe morpho doet zich te goed aan fruit in een schaal


Gezamenlijke maaltijd: hier en daar zie je een stukje blauwe vleugel

Er staat ook een mooi beeld in de Vlindertuin:  'Aan 't bad verrast' heet het, uit 1901 is het, en van de hand van Alfons van Beurden. Vroeger stond het voor de Egyptische tempel, bij het olifantengebouw dus, maar hier is het inderdaad beter op zijn plaats: het staat boven een waterpartij, wat de geloofwaardigheid van het werk ten goede komt. De twee jongens worden verrast door een slang, die hier op natuurlijke wijze uit het water komt gekropen. De onderste knaap trekt zich uit schrik hogerop, maar zijn grotere broer heeft een stok gevonden en probeert daarmee de slang te verjagen door er fluks op los te slaan. De dierentuin heeft vrij veel geslaagde dierenbeelden, en dit is er zeker een van.


Alfons van Beurden, Aan 't bad verrast

Dicht bij de Vlindertuin zitten een aantal inheemse watervogels in een volière: kluten heb ik daar de vorige keer gezien, en deze keer zowaar een grutto. Ik vraag me af waarom die per se in de Zoo moet zitten. In het Vennengebied zie en hoor je ze bijna a volonté, maar er een foto van maken, dat is me nog nooit gelukt. Het zijn zeer schuwe diertjes, en poseren doen ze niet. Hetzelfde geldt trouwens voor snippen. Maar deze gekooide grutto geeft me dan eindelijk de gelegenheid. Daarom zit deze grutto in de Zoo: hij is het plaatselijke fotomodel. Doordacht opzet van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde! En zo beleef je in de Zoo altijd iets.


Zoogrutto

vrijdag 13 april 2018

Félicien Rops in Museum De Reede en elders

Félicien Rops is de derde kunstenaar van wie je werk kunt zien in 'Museum De Reede'. Hij werd geboren in Namen op 7 juli 1833, en is gestorven op 23 augustus 1898, in Corbeil, vlak bij Parijs. Een zeer eigenzinnig werk heeft hij nagelaten, dat in zijn tijd uitgesproken choquerend moet geweest zijn. Wat die eigenzinnigheid betreft: zijn devies was 'Aultre ne veult estre.

Zijn jeugd was niet al te gemakkelijk: zijn vader stierf toen Félicien 16 was (in 1849): zijn oom Alphonse Rops wordt zijn voogd. Die heeft het vooral over werken en discipline, wat de jonge Rops maar matig bevalt: hij houdt van vrijheid en passie. In datzelfde jaar wordt hij weggestuurd van het jezuïetencollege, komt terecht op het Atheneum, waar zijn leraars hem voorspellen 'dat hij nooit iets zal doen!' Namen wordt hem te klein, te eng en benauwend, hij trekt naar Brussel, waar hij zich aan de ULB inschrijft in de kandidatuur filosofie. Vrijheid is voor hem belangrijker dat studeren, en hij slaagt natuurlijk niet voor zijn examens. Hij was zo iemand waar geen rechte voor mee te ploegen was, tenzij hij zijn eigen zin mocht doen. Zich voegen naar wat van hem verwacht werd, heeft hij nooit kunnen doen. Hij leert in Brussel Baudelaire kennen, wat resulteert in een vriendschap die duurde tot aan de dood van de dichter. Ondertussen 'stikt Rops in België', en Parijs wordt zijn laatste bestemming. Zijn  huwelijk loopt op de klippen, in Parijs heeft hij twee vriendinnen/minnaressen die bovendien zusters zijn: in een woord, een echte bourgeois was Félicien Rops niet.

Ondertussen tekende hij, etste en schilderde: hij bleek daar zeer goed in te zijn, en had succes. Maar academisch of mainstream was zijn werk allerminst. Hij illustreert wat je alternatieve of tegendraadse literatuur zou kunnen noemen. Bijvoorbeeld 'Les diaboliques' van ene Barbey d'Aurevilly, een verzameling van zes gewaagde novellen. Een daarvan heet 'Le plus bel amour de Don Juan', wat ook de titel van de tekening is die hij daarvoor maakt. Volgens het gidsje kijkt Don Juan naar een van zijn  veroveringen: op een donkere achtergrond zie je een tengere naakte figuur, eerder een meisje dan een vrouw, die een beetje ineengedoken zit, haar handen tussen haar benen, kou lijkt ze het te hebben, eenzaam lijkt ze te zijn: een feest van liefde heeft ze kennelijk niet beleefd. Maar daar was het Don Juan ook niet om te doen, die zocht zichzelf.


Le plus bel amour de Don Juan, 1880, geretoucheerde heliogravure

Lichter in alle betekenissen van het woord is de potloodtekening ' La clef des champs'. Een jonge naakte vrouw zit op een grote sleutel, en vliegt de vrijheid tegemoet. Het gidsje geeft de uitleg: de uitdrukking 'Je prends la clef des champs' betekent zoiets als 'ik ontsnap naar de vrijheid'. En die was voor Rops van het allergrootste belang.


La clef des champs, 1880, potloodtekening

Van een geheel andere aard is 'La tentation de Saint-Antoine', dat niet in Museum De Reede te zien is, noch in het Museum Félicien Rops in Namen. Een foto ervan staat wel in de gids bij dat museum, en daar heb ik zelf dan weer een foto van genomen. Dat kruis en die naakte vrouw komen eventjes verder nog terug. Op het eerste gezicht zou je deze tekening blasfemisch kunnen noemen, maar er zit meer achter dan de goegemeente eens zwaar choqueren. In de plaats van Christus hangt er een meer dan behoorlijk appetijtelijke vrouw aan het kruis, ze glimlacht bovendien uitnodigend, en boven aan het kruis lees je niet 'INRI', maar 'EROS'. Rechts van haar komt de duivel piepen: hij is het die Christus van zijn kruis geduwd heeft, die overigens eerder machteloos aan haar linkerkant hangt. Engeltjes, linksboven, zoals in 'Pornocratie', zijn vervangen door skeletten: Eros en Thanatos in een beeld verenigd. Achter de ultieme verleidelijke vrouw staat een varken: dat hoort sowieso bij Antonius Abt, maar bij Rops is het het symbool par excellence van de wellust. Sint Antonius probeert zich in paniek af te wenden van wat hij ziet, maar hij slaagt daar niet helemaal in: kijken doet of moet hij toch. Voor hem ligt een foliant open op de bladzijde 'De Continentia Josephi', over de onthouding van Jozef met andere woorden, wat dan weer te maken heeft met 'Maria altijd maagd'.

Een prachtige uitbeelding van de strijd tussen cultuur en natuur is dit werk, waarbij cultuur dan gesymboliseerd wordt door de verdrukkende moraal door de Kerk opgelegd. Een scherper en bijtender grafisch protest is moeilijk denkbaar. Door de symboliek, de dynamiek van deze tekening, en de bravoure waarmee ze uitgevoerd is, heb ik heel sterk het gevoelen dat Rops ze met volle graagte, met wellust, zeg maar, gemaakt heeft. Hij heeft er ongetwijfeld veel plezier aan beleefd.

Over deze tekening heb ik op het net een interessante opmerking van Sigmund Freud gevonden: 'Andere schilders, die niet zo'n indringend psychologisch inzicht hadden, zetten hun voorstelling van bekoring en zonde, onbeschaamd en triomfantelijk, ergens naast de Verlosser aan het kruis. Alleen Rops liet haar de plaats van de Gekruisigde aan het kruis innemen; hij schijnt geweten te hebben dat wat je verdringt weer te voorschijn komt op het ogenblik van de verdringing'.


La tentation de Saint-Antoine, 1878, kleurpotlood, 73,8 x 54,3 cm

Echt decadent is pas 'Le calvaire', de laatste prent in de reeks 'Les Sataniques'. Hier hangt de duivel, die een enorme erectie heeft, zelf aan het kruis. Een naakte vrouw, even appetijtelijk als die van 'De bekoring van Sint-Antonius', staat voor hem: ze komt met haar hoofd vlak bij des duivels testikels. Maar Satan met zijn bokkenpoten wurgt haar met haar eigen haar. De vrouw met haar wellust regeert de wereld, en dat kwaad moet volgens Rops dus uitgeroeid worden. Dat de duivel de executie uitvoert terwijl hij zijn volle en krachtige viriliteit toont, doet het op een wraak van de man lijken. Macaber, luguber, blasfemisch: wat willen we nog meer?


Le Calvaire, 1882, geretoucheerde heliogravure

Het bekendste werk van Rops is ongetwijfeld 'Pornocrates', en een gravure met die titel hangt ook in Museum De Reede.


Pornocrates, 1878, gravure

Maar wil je van dat werk ten volle 'genieten', dan moet je naar Het Rops Museum in Namen: daar hangt een veel duidelijkere aquarel. Een niet helemaal naakte en geblinddoekte vrouw volgt een varken, het symbool van de wellust. Ze heeft uiteraard geen oog voor de drie cupido's rechtsboven, die haar tot liefde proberen aan te zetten. Haar spaarzame kledij - schoenen met hakken, kousen tot boven de knie, lange handschoenen - refereren aan lichtekooien en prostituees. Als je haar vergelijkt met Botticelli's 'De geboorte van Venus', dan is verder uitleg overbodig. Onder deze matrone de verdrukte en inspiratieloze kunsten: beeldhouwkunst, muziek, poëzie en schilderkunst. Arm en koud is de wereld geworden. In het gidsje van Museum De Reede lees ik: 'De wellust regeert de vrouw en de vrouw regeert de wereld. Dit is het Leitmotiv in het oeuvre van F. Rops'


Pornocrates, 1878, aquarel, gouache met tempera en kleurpotlood, 38,5 x 26,5 cm

'Aultre ne veult estre' was zijn devies, een man van 'Ni Dieu, ni maître' was hij, zou je daar aan toe kunnen voegen. Naar die twee leuzen heeft hij zeker geleefd. Rops is iemand over wie je tal van vragen kunt stellen: je kunt naar Museum De Reede gaan voor een eerste kennismaking, maar wil je meer te weten komen, ga dan naar Namen, naar het Musée Félicien Rops: ze zullen je er graag zien komen, en het is de verplaatsing meer dan waard. Doen dus!