donderdag 19 april 2018

De Zoo: vlinders, een beeld en een grutto

Zeer aantrekkelijk in de Antwerpse dierentuin is zeker de 'Vlindertuin', die voordien de 'Wintertuin' heette: het gebouw is in 1897 ontworpen door Emile Thielens, die voor het dak een ijzerdraagconstructie met veel glas gebruikt heeft. Het is op zichzelf al een merkwaardig bouwwerk. Het staat vol exotische planten, er zijn een paar waterpartijen en de temperatuur is meer dan best genoeglijk. Dat moet ook: vlinders alom, geen koolwitjes, citroentjes of blauwtjes, maar tropische exemplaren.


Vlindertuin, werk van Emile Thielens (1895-1897)

Wij hebben er vooral - eigenlijk alleen - blauwe morpho's gezien, maar die zijn dan ook talloos. Dat blauw zie je alleen als ze vliegen, want in rust laten ze  enkel de onderzijde van hun vleugels zien, en die zijn bruin met verschillende 'ogen'. Ik had de indruk dat die diertjes zo groot zijn als mussen of vinken. Niet hun lichaampjes, maar hun vleugels mogen er best zijn: ze hebben een spanwijdte van 10 tot 12 cm. In de natuur kun je hem spotten in de regenwouden van Midden- en Zuid-Amerika.


Een blauwe morpho doet zich te goed aan fruit in een schaal


Gezamenlijke maaltijd: hier en daar zie je een stukje blauwe vleugel

Er staat ook een mooi beeld in de Vlindertuin:  'Aan 't bad verrast' heet het, uit 1901 is het, en van de hand van Alfons van Beurden. Vroeger stond het voor de Egyptische tempel, bij het olifantengebouw dus, maar hier is het inderdaad beter op zijn plaats: het staat boven een waterpartij, wat de geloofwaardigheid van het werk ten goede komt. De twee jongens worden verrast door een slang, die hier op natuurlijke wijze uit het water komt gekropen. De onderste knaap trekt zich uit schrik hogerop, maar zijn grotere broer heeft een stok gevonden en probeert daarmee de slang te verjagen door er fluks op los te slaan. De dierentuin heeft vrij veel geslaagde dierenbeelden, en dit is er zeker een van.


Alfons van Beurden, Aan 't bad verrast

Dicht bij de Vlindertuin zitten een aantal inheemse watervogels in een volière: kluten heb ik daar de vorige keer gezien, en deze keer zowaar een grutto. Ik vraag me af waarom die per se in de Zoo moet zitten. In het Vennengebied zie en hoor je ze bijna a volonté, maar er een foto van maken, dat is me nog nooit gelukt. Het zijn zeer schuwe diertjes, en poseren doen ze niet. Hetzelfde geldt trouwens voor snippen. Maar deze gekooide grutto geeft me dan eindelijk de gelegenheid. Daarom zit deze grutto in de Zoo: hij is het plaatselijke fotomodel. Doordacht opzet van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde! En zo beleef je in de Zoo altijd iets.


Zoogrutto

vrijdag 13 april 2018

Félicien Rops in Museum De Reede en elders

Félicien Rops is de derde kunstenaar van wie je werk kunt zien in 'Museum De Reede'. Hij werd geboren in Namen op 7 juli 1833, en is gestorven op 23 augustus 1898, in Corbeil, vlak bij Parijs. Een zeer eigenzinnig werk heeft hij nagelaten, dat in zijn tijd uitgesproken choquerend moet geweest zijn. Wat die eigenzinnigheid betreft: zijn devies was 'Aultre ne veult estre.

Zijn jeugd was niet al te gemakkelijk: zijn vader stierf toen Félicien 16 was (in 1849): zijn oom Alphonse Rops wordt zijn voogd. Die heeft het vooral over werken en discipline, wat de jonge Rops maar matig bevalt: hij houdt van vrijheid en passie. In datzelfde jaar wordt hij weggestuurd van het jezuïetencollege, komt terecht op het Atheneum, waar zijn leraars hem voorspellen 'dat hij nooit iets zal doen!' Namen wordt hem te klein, te eng en benauwend, hij trekt naar Brussel, waar hij zich aan de ULB inschrijft in de kandidatuur filosofie. Vrijheid is voor hem belangrijker dat studeren, en hij slaagt natuurlijk niet voor zijn examens. Hij was zo iemand waar geen rechte voor mee te ploegen was, tenzij hij zijn eigen zin mocht doen. Zich voegen naar wat van hem verwacht werd, heeft hij nooit kunnen doen. Hij leert in Brussel Baudelaire kennen, wat resulteert in een vriendschap die duurde tot aan de dood van de dichter. Ondertussen 'stikt Rops in België', en Parijs wordt zijn laatste bestemming. Zijn  huwelijk loopt op de klippen, in Parijs heeft hij twee vriendinnen/minnaressen die bovendien zusters zijn: in een woord, een echte bourgeois was Félicien Rops niet.

Ondertussen tekende hij, etste en schilderde: hij bleek daar zeer goed in te zijn, en had succes. Maar academisch of mainstream was zijn werk allerminst. Hij illustreert wat je alternatieve of tegendraadse literatuur zou kunnen noemen. Bijvoorbeeld 'Les diaboliques' van ene Barbey d'Aurevilly, een verzameling van zes gewaagde novellen. Een daarvan heet 'Le plus bel amour de Don Juan', wat ook de titel van de tekening is die hij daarvoor maakt. Volgens het gidsje kijkt Don Juan naar een van zijn  veroveringen: op een donkere achtergrond zie je een tengere naakte figuur, eerder een meisje dan een vrouw, die een beetje ineengedoken zit, haar handen tussen haar benen, kou lijkt ze het te hebben, eenzaam lijkt ze te zijn: een feest van liefde heeft ze kennelijk niet beleefd. Maar daar was het Don Juan ook niet om te doen, die zocht zichzelf.


Le plus bel amour de Don Juan, 1880, geretoucheerde heliogravure

Lichter in alle betekenissen van het woord is de potloodtekening ' La clef des champs'. Een jonge naakte vrouw zit op een grote sleutel, en vliegt de vrijheid tegemoet. Het gidsje geeft de uitleg: de uitdrukking 'Je prends la clef des champs' betekent zoiets als 'ik ontsnap naar de vrijheid'. En die was voor Rops van het allergrootste belang.


La clef des champs, 1880, potloodtekening

Van een geheel andere aard is 'La tentation de Saint-Antoine', dat niet in Museum De Reede te zien is, noch in het Museum Félicien Rops in Namen. Een foto ervan staat wel in de gids bij dat museum, en daar heb ik zelf dan weer een foto van genomen. Dat kruis en die naakte vrouw komen eventjes verder nog terug. Op het eerste gezicht zou je deze tekening blasfemisch kunnen noemen, maar er zit meer achter dan de goegemeente eens zwaar choqueren. In de plaats van Christus hangt er een meer dan behoorlijk appetijtelijke vrouw aan het kruis, ze glimlacht bovendien uitnodigend, en boven aan het kruis lees je niet 'INRI', maar 'EROS'. Rechts van haar komt de duivel piepen: hij is het die Christus van zijn kruis geduwd heeft, die overigens eerder machteloos aan haar linkerkant hangt. Engeltjes, linksboven, zoals in 'Pornocratie', zijn vervangen door skeletten: Eros en Thanatos in een beeld verenigd. Achter de ultieme verleidelijke vrouw staat een varken: dat hoort sowieso bij Antonius Abt, maar bij Rops is het het symbool par excellence van de wellust. Sint Antonius probeert zich in paniek af te wenden van wat hij ziet, maar hij slaagt daar niet helemaal in: kijken doet of moet hij toch. Voor hem ligt een foliant open op de bladzijde 'De Continentia Josephi', over de onthouding van Jozef met andere woorden, wat dan weer te maken heeft met 'Maria altijd maagd'.

Een prachtige uitbeelding van de strijd tussen cultuur en natuur is dit werk, waarbij cultuur dan gesymboliseerd wordt door de verdrukkende moraal door de Kerk opgelegd. Een scherper en bijtender grafisch protest is moeilijk denkbaar. Door de symboliek, de dynamiek van deze tekening, en de bravoure waarmee ze uitgevoerd is, heb ik heel sterk het gevoelen dat Rops ze met volle graagte, met wellust, zeg maar, gemaakt heeft. Hij heeft er ongetwijfeld veel plezier aan beleefd.

Over deze tekening heb ik op het net een interessante opmerking van Sigmund Freud gevonden: 'Andere schilders, die niet zo'n indringend psychologisch inzicht hadden, zetten hun voorstelling van bekoring en zonde, onbeschaamd en triomfantelijk, ergens naast de Verlosser aan het kruis. Alleen Rops liet haar de plaats van de Gekruisigde aan het kruis innemen; hij schijnt geweten te hebben dat wat je verdringt weer te voorschijn komt op het ogenblik van de verdringing'.


La tentation de Saint-Antoine, 1878, kleurpotlood, 73,8 x 54,3 cm

Echt decadent is pas 'Le calvaire', de laatste prent in de reeks 'Les Sataniques'. Hier hangt de duivel, die een enorme erectie heeft, zelf aan het kruis. Een naakte vrouw, even appetijtelijk als die van 'De bekoring van Sint-Antonius', staat voor hem: ze komt met haar hoofd vlak bij des duivels testikels. Maar Satan met zijn bokkenpoten wurgt haar met haar eigen haar. De vrouw met haar wellust regeert de wereld, en dat kwaad moet volgens Rops dus uitgeroeid worden. Dat de duivel de executie uitvoert terwijl hij zijn volle en krachtige viriliteit toont, doet het op een wraak van de man lijken. Macaber, luguber, blasfemisch: wat willen we nog meer?


Le Calvaire, 1882, geretoucheerde heliogravure

Het bekendste werk van Rops is ongetwijfeld 'Pornocrates', en een gravure met die titel hangt ook in Museum De Reede.


Pornocrates, 1878, gravure

Maar wil je van dat werk ten volle 'genieten', dan moet je naar Het Rops Museum in Namen: daar hangt een veel duidelijkere aquarel. Een niet helemaal naakte en geblinddoekte vrouw volgt een varken, het symbool van de wellust. Ze heeft uiteraard geen oog voor de drie cupido's rechtsboven, die haar tot liefde proberen aan te zetten. Haar spaarzame kledij - schoenen met hakken, kousen tot boven de knie, lange handschoenen - refereren aan lichtekooien en prostituees. Als je haar vergelijkt met Botticelli's 'De geboorte van Venus', dan is verder uitleg overbodig. Onder deze matrone de verdrukte en inspiratieloze kunsten: beeldhouwkunst, muziek, poëzie en schilderkunst. Arm en koud is de wereld geworden. In het gidsje van Museum De Reede lees ik: 'De wellust regeert de vrouw en de vrouw regeert de wereld. Dit is het Leitmotiv in het oeuvre van F. Rops'


Pornocrates, 1878, aquarel, gouache met tempera en kleurpotlood, 38,5 x 26,5 cm

'Aultre ne veult estre' was zijn devies, een man van 'Ni Dieu, ni maître' was hij, zou je daar aan toe kunnen voegen. Naar die twee leuzen heeft hij zeker geleefd. Rops is iemand over wie je tal van vragen kunt stellen: je kunt naar Museum De Reede gaan voor een eerste kennismaking, maar wil je meer te weten komen, ga dan naar Namen, naar het Musée Félicien Rops: ze zullen je er graag zien komen, en het is de verplaatsing meer dan waard. Doen dus!

dinsdag 10 april 2018

Hoogstraten, Sint-Katharinakerk: de preekstoel

Gisteren had ik nog eens kerkwacht in Hoogstraten, vroeg op het jaar, zeg maar. En een toeloop was het niet: de toren wordt gerestaureerd, de hoofdingang is gesloten, en je moet een beetje zoeken naar de toegang aan de zuidkant van de kerk. Ik had mijn fototoestel bij me, want je ontdekt wel altijd iets in de Sint-Katharina. En jawel, ik heb de preekstoel eens goed bekeken.

Bij de verwoesting van de kerk in 1944 was die 'mit deutscher Gründlichkeit' vernield: het klankbord was onherstelbaar verloren. Maar de rest van de kansel is gered en gerestaureerd. En het is niet zomaar een preekstoeltje, daar in Hoogstraten. Onder de kuip zie je het tafereel waarin Christus zegt: 'Laat de kinderen bij me komen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. / Ik verzeker jullie, wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan'. (Marcus 10:14-15)

Het is een beeldhouwwerk van Theodoor Verhaegen (Mechelen, 1700-1759) een niet geheel onbekende kunstenaar. Hij werkt in de sfeer en mentaliteit van de contrareformatie en is duidelijk een vertegenwoordiger van de barok.  Dat zie je meteen al aan de beweging in zijn beelden: nadrukkelijke plooival, twee kindertjes die hun armpjes naar Jezus uitstrekken, een eerder pathetisch uitziende moeder aan zijn rechterkant, en de ander schijnt in gesprek te zijn met de Heiland. Dramatiek genoeg in dit geheel van beelden. En de kindjes zijn goed doorvoed: als weelderige wezentjes worden zij voorgesteld, zoals dat hoort in de barok.




Theodoor Verhaegen, Laat de kinderen bij me komen

Op de kuip zijn drie mooie medaillons te zien: die waren ook volledig vernield, maar die zijn vervangen door nieuwe identieke exemplaren: Verhaegen door twintigste-eeuwers in ere hersteld. 'De parabel van de Goede Herder' bevindt zich het dichtst bij het hoogkoor (Lucas 15:3-7). Daarin wordt gesteld dat er in de hemel meer vreugde zal zijn om een bekeerde zondaar dan om de 99 mensen die altijd al goed en vroom hebben geleefd, zoals een herder ook bijzonder blij is om het teruggevonden verdwaalde schaap. Van aanschouwelijk onderwijs wist de Kerk wel iets in die dagen, toen weinig mensen konden lezen.


De parabel van de Goede Herder

Echt barok en didactisch overtuigend is ook het medaillon 'Ecclesia triumphans'. Die 'Zegevierende Kerk' zit op een stormachtige golf (of is het een wolk), vergezeld door drie engelenhoofdjes neerbuigend en minachtend te kijken naar de verslagen nieuwlichters die hun boeken nog wel bij zich hebben, maar door de 'Ecclesia' als het ware verpletterd worden. Gedaan met reformatie hier, dat zal duidelijk zijn.


De 'Ecclesia triumphans'

Die Ecclesia triumphans herkende ik meteen: ik heb die hier ergens nog gezien. En jawel hoor, in de kerk van het begijnhof van Hoogstraten is er ook een te zien: daar schraagt ze in haar eentje de preekstoel. Als een strijdvaardige vrouw wordt ze voorgesteld, met een soort van lans en schild incluis. En zij is ook van de hand van Theodoor Verhaegen.


Begijnhofkerk, Ecclesia triumphans

Ik zoek natuurlijk de passages in het Nieuwe testament waarover deze verhalen gaan. En dan valt nog eens op hoe veel van Christus' uitspraken gewoon in onze taal zijn opgenomen. 'Door het oog van de naald kruipen' komt uit Marcus 10:25: 'het is gemakkelijker voor een kameel door het oog van de naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan'. En vers 31 luidt: 'Velen eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten'. In ons Nederlands is dat geworden: 'De laatsten zullen de eersten zijn'. Want wij kunnen wel geseculariseerd zijn, de sporen van het evangelie zullen niet uitgeroeid geraken, vrees ik dan maar.

De Sint-Katharinakerk in Hoogstraten: daar is altijd wel iets te vinden en te beleven. Via een omweg zelfs taalkundig.

zaterdag 7 april 2018

Eerste Vennentocht 2018

Lang heeft het dit jaar geduurd eer ik nog eens naar het Vennengebied kon rijden: niet dat de winter zo koud is geweest. Frank de Boosere heeft het twee keer over een winterprik gehad, en een winterprik is er maar eventjes, het is een kleine bijna pijnloze injectie. We hebben wel eens sneeuw gezien, maar winter? Dat is nog iets anders. Wel veel grijsheid was ons deel en net zo goed veel regen. Maar vandaag, 7 april, is het weer uitnodigend, en dan ga ik weer naar mijn achtertuin voor de eerst herkennismaking van dit jaar.

Een eerste ankerpunt is de vroegere boerderij in de Elzenstraat, huisnummer 23. In de jaren vijftig gingen onze ouders met een paar vrienden en hun kinderen natuurlijk altijd verpozen in wat wij het 'Zavelkot' noemden; nu mag je er niet meer in. Dat was ontspanning en toerisme in eigen streek: naar zee reizen, of naar de Ardennen zat er toen nog niet in, dat was iets voor de jaren zestig. Want wij kwamen pas uit een oorlog: wisten wij kleine snotters veel. In die boerderij woonde Louis Helsen, die ons al eens op zijn paard liet zitten - sensatie! - en met wie mijn ouders best opschoten. Ik herinner me dat het in zijn woonkamer altijd even koel was, en dat de vloer vaak klam was en nat uitsloeg. Voorbije tijden en voorbij leven zijn dat nu.


Elzenstraat 23, de boerderij van Louis Helsen

Een andere vaste stek is voor het 'Ezelsven': dat is een plas die de laatste jaren steeds groter wordt, en die na deze winter boordevol staat: ik heb hem zelden zo gezien. In de laatste maanden van vorig jaar was hij haast volledig dichtgegroeid, maar dat is allemaal netjes weggemaaid, en daardoor krijgt dit ven weer lucht en kansen. Op het einde van de zomer wil het wel eens gebeuren dat het uitdroogt, maar daar zijn we nog ver van af.


Het Ezelsven: bijna weids

Hier en daar zwemt een meerkoet, maar de dominerende vogel is hier de meeuw: die lijken er elk jaar meer te zijn. 'Waar de meeuwen schreeuwen': in het Vennengebied met behoorlijk wat decibels!


Meeuwen op het Ezelsven

Voorbij deze plas, richting Zwart Water zijn andere vogels te horen: de kievit is er, en de grutto. En waar het iets bosrijker wordt, zingen de vink en de tjiftjaf hun liedje; er klinken nog andere wijsjes, maar daarvan kan ik de auteurs niet thuis wijzen. 'Spring is in  the air' luidt de grap dan.

Bloemen zijn er nog niet te veel: madeliefjes wel natuurlijk, deze kleine herauten van de lente, en de onverwoestbare paardenbloemen, en de bescheiden hondsdraf; er groeit inderdaad al wat.


Hondsdraf


Tenslotte: een wilg pronkt uitgelaten met zijn bijna uitgebloeide katjes. Binnenkort zal hij in blad staan, en dan hebben wij het warmer en doet het leven weer meer deugd. Er komen weer betere maanden aan!

vrijdag 6 april 2018

Planckendael: andere kostgangers

Een mooi dier is de 'argusfazant': die kan pronken met behoorlijk lange staartveren. Waar hij zijn naam vandaan heeft is duidelijk: van 'Argus Panoptes', een held uit de Griekse mythologie. Die had 100 ogen, waarvan er altijd tenminste twee open bleven: vandaar zijn epitheton dat 'alziend' betekent. Op zijn veren heeft de argusfazant heel veel witte rondjes, die refereren aan Argus' ogen. Mooie vogel wel.


De argusfazant

Ander jong leven is er te zien bij de kamelen: het veulen ligt languit op de grond voor zijn ouders, genietend van uitgestrekte rust. Het leven duurt nog lang genoeg, zal het denken.


Kameelveulen

Echte 'kostgangers' zijn de leeuwen: het is bekend dat zij in de natuur alleen actief zijn als ze jagen. Voor de rest liggen zij hun eten te verteren en de luiwammes uit te hangen. Zo ook in Planckendael: Koning Nobel hoeft hier niet eens te jagen, hij is gewoon in volpension, en dat laten hij en zijn gade zich complexloos welgevallen: 'arbeid adelt' en 'rust roest' is voor hen verre van evangelie.


Nobel en zijn gade: vadsige koningen

Nog een logé uit de savanne: de giraf. Ze hebben het hem een beetje gemakkelijk gemaakt: hij hoeft zich niet te bukken voor zijn dagelijkse kost. Je kunt die dieren bekijken vanaf een balkon met balustrade: dat vergemakkelijkt het oogcontact, en verhindert dat je naar beneden zou donderen. Aan die balustrade kun je ook je wandelstok hangen als je een beetje comfortabel foto's wil maken, en dan stel je na een tijdje vast dat je die ergens vergeten hebt, je rijdt terug naar de giraffen, maar weg stok, foetsie! Aan de uitgang vraag ik later of er een dienst 'Verloren voorwerpen' is, en mij wordt gelijk gevraagd of ik naar een wandelstok op zoek ben, want, jawel hoor, de eerlijke vinder heeft hem daar al afgeleverd. Waarvoor mijn grote dank, uiteraard.


Comfortabel tafelen voor giraffen

Nog een vogeltje om mee af te sluiten: de zwarte ibis. De nijlreiger kom je in kruiswoordraadsels wel eens tegen, en dan vul je 'ibis' in, en die zijn wit. Ik wist niet eens dat er zwarte ibissen waren: ze leven in warme streken, eigenlijk op alle continenten, en tegenwoordig is hij ook in Nederland en België meer dan een dwaalgast. In het Vennengebied ben ik hem nog niet tegengekomen: een blauwe reiger is daar al een sensatie!


Zwarte ibissen

Planckendael kan dit jaar nog op mijn bezoek rekenen: mijn kinderen hebben mij een abonnement aangeraden, dat heb ik zeer gehoorzaam gekocht, en zo gaan we zo goed als gratis beestjes bekijken, en de kleinkinderen daarbij bezig zien. Wat wil opa nog meer?

Planckendael: olifanten en ooievaars

De geïnteresseerden worden dezer dagen naar Planckendael gelokt om te twee pasgeboren olifantjes te komen bewonderen, want geef toe, zulke kleintjes die mastodonten gaan worden zie je niet elke dag. Twee kalfjes stelen de show: Suki en Tun Kai. Suki, wat 'geliefde betekent, is een kerstolifant: geboren op 25-12-2017, van het vrouwelijk geslacht, gewicht 85 kilo. Tun Kai is drie weken later ter wereld gekomen, maar toch is zij - ook al een meisje - iets groter dan Suki. 'Tun' betekent 'zaterdag', en haar geboortedag, 13-01-2018, was verrassenderwijze een zaterdag. 'Kai' verwijst naar haar moeder, de beroemde Kai Mook.

Dicht bij elkaar zie je de olifanten eerst: vijf zijn het er, allemaal koeien. Er is ook een stier, 'Kavnar' die verondersteld wordt voor verder nageslacht nageslacht te zorgen, maar die wordt nog van de koeien gescheiden. De vader van de twee kleintjes is dan weer 'Chang', die nu is teruggekeerd naar Kopenhagen, voor het kweekprogramma aldaar. De kalfjes zie je nog niet: ze zullen waarschijnlijk tussen de twintig grote poten wriemelen, en allicht vinden ze het daar te eng, want ze gaan eventjes later al op de wandel. Die willen natuurlijk bewegen en hun kleine wereld ontdekken, net zoals mensenkinderen.


Vijf koeien

Dan krijg ik Suki voor de lens: zij is het kleinste van de twee, en haar staart eindigt in een bosje haar, en bij Tun Kai spitst die zich in tweeën. Ze loopt voortdurend in de buurt van haar tante Yu Yu Yin. Als die namen een beetje Aziatisch aandoen: we hebben het hierover Indische olifanten, en die kun je moeilijk Maria, Maaike, Ria of Rita noemen. Nieuw leven is altijd mooi en vertederend om zien, en klein is Suki wel naast haar tante, maar een geboortegewicht van 85 kilo is toch echt niet weinig. Een olifantendracht kan tot bijna twee jaar duren: en dan hebben wij het over een ezelsdracht, die 12 tot 14 maanden haalt. Maar ja, olifanten zaten hier nog niet toen het gezegde ontstaan is.


Suki en haar tante Yu Yu Yin

Dieren die hier in vrijheid leven zijn de ooievaars: ze lijken hier veel talrijker dan gewone oerVlaamse mussen; waarschijnlijk is dat niet zo, maar ze vallen in ieder geval veel meer op. Ik durf te vermoeden dat dat met hun afmetingen, kleur, vlucht en geklapper heeft te maken, ik ben er bijna zeker van. Ik weet niet wat ik met die vogels heb, maar mijn dag is goed als ik er een of meer zie, ik word er gewoon enthousiast van. Niet omdat ze me vier kinderen gebracht hebben - dat is anders gegaan - maar omdat ze zo sierlijk vliegen, zulke indrukwekkende nesten bouwen, niet echt mensenschuw zijn, en 'monogaam trouw' als ze broeden en jongen opvoeden. Soms blijven ze jaren bij elkaar.


Een indrukwekkend nest: wat daar aan takken en ander plantenmateriaal voor aangevlogen werd, dat is een goede vrachtwagen vol. Denk ook eens de tijd die nodig was om dat te bouwen!


Hoog en droog, en veilig


De nestbouwer/takkenverzamelaar: die voelt dat het tijd wordt voor jongen

Soms zie je in de Kempen ook wel eens ooievaars, maar dat zijn dan trekkers, die rusten een tijdje en vliegen dan weer verder. Vlak voor de Mark Breda binnenstroomt, staan er ook een aantal ooievaarsnesten, dat wil zeggen hoge palen met een wiel erop, waar de dieren kan kunnen bouwen. Helaas heb ik er daar nog geen gezien. In Planckendael ben je zeker dat je ze tegenkomt, zelfs op het parkeerterrein tussen de auto's: schuw zijn ze niet. Of je kunt naar het Zwin: daar broeden ze ook. Maar dat is dan al weer een eindje verder. Planckendael is voor mij attractie genoeg.

donderdag 5 april 2018

Planckendael: avontuur voor kinderen en Mil

De Antwerpse Zoo heeft een bijhuis of dépendance in Muizen: 'Planckendael' heet het daar, dat is algemeen bekend. Het park is aanzienlijk groter dan het hoofdhuis, verdeeld in de vijf continenten en behoorlijk aantrekkelijk: de olifanten- en giraffenverblijven zijn er ruimer dan in Antwerpen als je't mij vraagt, en deze dierentuin speelt meer in op de kinderen klein en groot. Ze moeten niet alleen komen voor vreemde dieren die ze uit hun voorlees- of kleurboekjes kennen. Touwen bruggen, daar willen ze op, want voor hun vierde verjaardag willen ze laten zien hoe groot ze al wel niet zijn, en wat al ze al niet kunnen en durven. Zich bewijzen voor papa en mama en opa wilde Mil, en trots op zichzelf ook natuurlijk. En hij er natuurlijk op, op die zwiebelende brug, met de handjes stevig de zijwanden vasthoudend, de voetjes voorzichtig over het smalle gangpaadje schuifelend, en gelukkig papa als verzekering achter zich.


Geconcentreerde triomf van Mil

Ook zijn creatieve vaardigheden worden aangesproken: in een tent liggen allerlei papieren waarop je de voorgedrukte puntjes met elkaar kan verbinden, en dan zie je een dier verschijnen: een pauw of een olifant, kies maar uit. De goedkeurende en aanmoedigende aanwezigheid van mama voert hem naar hoge artistieke toppen of diepe kunstzinnige dalen: in dat opzicht zijn Mils landschappen zeer afwisselend.


Aandacht voor de eigen 'schone kunsten'

En dan kun je nog met een vlot of een prauw de Kongostroom oversteken: niet in de buurt van kolkende watervallen, maar dicht bij de monding, waar het wateroppervlak kalm en rustig is: Mil trekt zich naar mama toe - waar kan hij nog beter zijn? - en papa helpt bij de overtocht, maar de kleine heeft het commando.


Net zoals in de prauw: naar opa toe, maar verlaat jullie op Mil, verenigde kleuters aller landen!


Mil voer het commando over zijn kleine wereld

Tijdens de plaatselijke stortbui met donderslagen verovert hij zich nog een appelsapje, en moe en voldaan kijkt hij naderhand terug op een welbestede dag!
Waarvan ouders en opa net zo van genoten hebben. Want moet dat nog meer zijn, als je bovendien af en toe nog een eigenaardig dier kunt bekijken?

Planckendael: veel interessante dieren, en tezelfdertijd een grote speeltuin  voor de jongsten. Goed bekeken van de 'Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen'. Een mondvol voor de kleine luitjes, maar weten zij veel, en dat hoeven ze ook niet. Plezier telt hier!