woensdag 16 augustus 2017

Frans Masereel: Belgisch

Het zou best kunnen dat Masereel meer tijd in het buitenland dan in België heeft doorgebracht: hij was geen lokaal tweederangskunstenaartje, dat zal bekend zijn. Maar het vaderland vergeten deed hij ook niet. De houtsnede 'Souvenir de mon pays' vind ik best wel goed: in twee nissen naast elkaar staan een vrouwen- en een mannenfiguur. Zij stelt, zou je kunnen denken, Onze-Lieve-Vrouw voor, maar ze heeft maar een kleine aureooltje. Aan haar voeten staan wel Vlaamse torens: over Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen gaat het kennelijk. De man naast haar is gewoon een beschaafde, gesettelde burger, natuurlijk een regelrechte, onvervalste bourgeois in de ogen van Masereel. Hij vertoont geen kentekens van enige heiligheid, hij staat wel te bidden, maar beiden, man en vrouw, zien er vooral saai en weinig tot de verbeelding sprekend uit. Ik kan niet anders dan denken dat zij niet zozeer heilig zijn dan wel schijnheilig. Het brave, levenloze katholieke Vlaanderen wordt hier uitgebeeld. Deze houtsnede komt uit 1921, een tijd waarin de goegemeente niet meteen wild werd van dergelijke kunstwerken.


Souvenir de mon pays

'Non, Nooit, Jamais' staat op de borden die de betogers meedragen in Brussel eind 1960, begin 1961: tegen de eenheidswet van de regering van vader Gaston Eyskens protesteren zij. De kreet 'Eyskens buiten!' was toen niet uit de lucht, herinner ik me nog. De wet beoogde de verbetering van 's lands economische situatie, want die dreigde eerder precair te worden: de werkloosheid steeg, in Wallonië werden een aantal mijnen gesloten en Congo was net onafhankelijk geworden. Eyskens wil de problemen oplossen door 7 miljard Belgische frank nieuwe belastingen te heffen, te besparen op onderwijs en landsverdediging, en strengere controle op de werkloosheidsuitkeringen en het pensioenstelsel van sommige ambtenaren. Dit schoot natuurlijk in het verkeerde keelgat, en massale stakingen en betogingen waren het gevolg (bron: Wikipedia). Pour la petite histoire: een klein lichtpuntje voor het geplaagde vaderland was het huwelijk van
Koning Boudewijn met Fabiola. Op 15 december 1960 was dat: heel het land zat voor de buis.

De wet werd toch gestemd, maar de regering Eyskens viel niettemin. Haar opvolger, de regering Lefèvre-Spaak, zal de Eenheidswet toch uitvoeren, gefaseerd weliswaar.

Tegen zoveel sociale afbraak komt Masereel natuurlijk in het geweer: een steeds breder wordende stoet betogers nadert, hun boodschap is overduidelijk, en de Belgische vlaggen wijzen op de eenheid van de bevolking: geen communautair gedoe hier!


Manifestation à Bruxelles, 1961, olieverf op doek

Ook op latere leeftijd had Masereel zijn engagement en weerbaarheid niet verloren, ook al ging het over zijn kleine vaderland. Maar een spannende tijd was het toen wel, dat staat me nog levendig bij. En daar getuigt ook dit schilderij van.

zaterdag 12 augustus 2017

Frans Masereel: groot werk - Oorlog en vrede

Als je de Masereel-tentoonstelling in Oostende binnenkomt, word je vrijwel onmiddellijk met een werk geconfronteerd dat alleen al opvalt door zijn afmetingen: zo'n 7 bij 4 meter is het, tenminste dat schat ik. Zonder meer indrukwekkend! Is dit een Masereel, vraag je je dan af. Het zit zo: zijn goede vriend Henry van de Velde had Masereel verzocht, gevraagd, uitgenodigd het te maken voor het Belgische paviljoen op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1937 (in een klein gidsje leer je nog eens iets!). 'La famille en lecture' heet het, in het beste Belgisch mogelijk.

Centraal zitten vader, moeder en dochter rustig en ongestoord van hun boeken te genieten, met een uitbundig stralende zon achter hen: waar kunnen wij nog beter zijn? Ze bevinden zich vlak bij de zee, tussen de zonnebloemen, en het leven speelt zich links en rechts van hen af. Links zie je de stad en de industrie, aan de rechterkant meer natuur, een klein dorpje en schepen die binnen komen gevaren, een man spreidt verwelkomend zijn armen. Een idyllisch tafereel is het, een geïdealiseerde wereld waar 'tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes possibles'. Toch komt het schilderij uit 1937: zo heel voorspoedig was de wereld er toen echt niet aan toe, maar - nog volgens mijn gidsje - past het werk door zijn formaat en het afgebeelde tafereel bij eerder communistisch geïnspireerde propaganda. Masereel had nogal wat sympathie voor dat systeem, hij was een geëngageerd man, maar wat hij hier weergeeft heeft het communisme helaas ooit nooit kunnen verwezenlijken, weten we nu. Maar dat kon de kunstenaar toen dan weer niet bevroeden. (Tegenwoordig is dit kunstwerk te bewonderen in het Antwerpse culturele centrum Nova, op het Kiel is dat).


La famille en lecture, 1937 - olieverf op doek

Bij 'De lezende familie' hoort nog een tweede werk, een muurtekening, ook voor de wereldtentoonstelling van 1937. Het is een muurtekening van 5 bij 7 meter, en stelt 'L'enterrement de la guerre' voor. Of dat werk nog ergens bestaat en te bekijken is, weet ik niet. Wel is op de tentoonstelling een schets van dat werk te zien: een blije menigte draagt gelukkig en juichend de oorlog in een open doodskist ten grave. De oorlog is een monster: zijn voeten zijn tanks, zijn benen  en dijen lopen van kanonnen, ter bescherming van zichzelf draagt hij een gasmasker. Weer volgens het gidsje zijn in de gezichten van de dragers bekende Franse communisten te herkennen, en een paar van hen waren kennissen van Masereel. Een grapjas was hij, ook in zijn engagement.


L'enterrement de la guerre (schets)

Helaas bleek in  september 1939 dat de oorlog in Europa springlevend was: dat heeft Masereel niet kunnen beletten, en velen met hem niet. Maar men kan niet zeggen dat hij de mensen niet gewaarschuwd heeft: dat is onder andere wat een kunstenaar hoort te doen, en een werk als dit blijft jammer genoeg nog altijd actueel. Goed dat die schets ook in Oostende te zien was.

donderdag 10 augustus 2017

Frans Masereel over macht

In het Mu.ZEE van Oostende loopt weer een interessante tentoonstelling: 'Frans Masereel en hedendaagse kunst: verzet in beelden'. Tot 3 september duurt ze nog: talrijke werken van Masereel worden geconfronteerd met die van kunstenaars van nu. Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik vooral naar die van de meester/houtsnijder heb gekeken: er waren er zoveel, en zoveel die ik nog nooit gezien had dat ik mijn ogen nog wel een paar uren meer de kost had kunnen geven, gesteld dat mijn concentratie op peil zou gebleven zijn, want, even eerlijk gezegd, na anderhalf uur en iets meer is mijn potje vol, en wat ik er dan nog probeer bij te stoppen en te proppen, daar heb ik eigenlijk zoveel niet meer aan.

Het zal bekend zijn dat Masereel een man was van 'Ni Dieu, ni maître', dat hij, om het eufemistisch te zeggen met macht niet hoog opliep, dat hij daar uiterst kritisch tegenover was. Dat gold voor hem voor de grote politiek, maar net zo goed voor de dagelijkse economische realiteit  en de meester-knecht-relatie. In een tekening uit 1924 zet hij dat echt goed in de verf (dit is een verkeerde uitdrukking: het is een tekening in inkt op papier). Het disproportionele hoofd van de baas domineert heel het kantoor: iedereen is braafjes en gespannen aan het werk, gelukkig zien de gezichten er niet uit, en de man en de vrouw die staan te praten, zijn zeker niet aan het flirten: zij schijnt uitleg te geven of te vragen over het vel papier dat ze vasthoudt. Streng en zonder uitdrukking van enige menselijkheid kijkt 'het hoofd' toe: geen minuut werk mag verloren gaan. Nu wil het toeval dat ik een dergelijke scene ooit live gezien heb: ik was toen 7 à 8 jaar, zat ik de tweede klas, en woensdagmiddag ging ik vader van zijn werk ophalen. Bij Brepols was dat, in wat in Turnhout toen nog echt de Papenstraat heette. En ook daar zag ik toen een 'surveillant' die alle bedienden waakzaam in het oog hield: dat is precies een klas hier, dacht ik toen, dat herinner ik me echt. En zoveel jaren later stel je vast dat Masereel dat ook al gezien had, en niet met kinderogen.


Au bureau - 1925

'Petites dactylos' is en aquarel op papier, ook uit 1924. Masereel was niet alleen een houtsnijder: hij tekende, schilderde en maakte ook aquarellen. En zo zie je meer dan alleen maar zwart-wit in zijn  werk. Je krijgt ongeveer hetzelfde als in 'Au bureau': een zeer struise kantoorchef contrasteert met de veel tengerdere kantoormeisjes. Eentje leest voor wat ze geschreven of getypt heeft, en hoopt ongetwijfeld dat haar werk goedgekeurd zal worden, de tweede staat gedwee haar beurt af te wachten, kijkt ondertussen naar buiten, naar de vrijheid: de ongelijkheid in de werkrelatie is meer dan duidelijk. Ik houd er wel van, van dit soort werk, van deze aanklachten.


Petites dactylos - 1924

In de frivolere wereld berust de macht natuurlijk ook bij de mannen: om de distinctie duidelijk te maken draagt hij hier een bolhoed, de jonge vrouwen, de meisjes zijn nauwelijks gekleed. De titels van Masereels werken zijn in het Frans, en 'Le Choix' betekent 'De keuze', maar als je ziet hoe de vrouwen gekeurd worden, het gaat om een vleeskeuring als het ware, is de correcte vertaling hier 'De keuring', als je het mij vraagt.


Le choix, of 'De keuring' - 1924

Van een jaar later is 'Josephine Baker': de aquarel komt uit 1925, het jaar dat zij voor het eerst in Parijs optrad, in de Folies Bergères. Masereel zat met zijn neus op de actualiteit, dat kun je wel zeggen. Hier zijn de verhoudingen omgekeerd: Zij trekt alles aandacht, en de mannen liggen bij wijze van spreken aan haar voeten: zij heeft hier de macht, toch voor de tijd dat ze optreedt.


Josephine Baker - 1925

Deze vier werken houden zich niet met militair geweld bezig, niet met oorlog, maar net zo goed bevatten ze scherpe kritiek op de manier waarop het 'gewone' leven georganiseerd is. En daarom zijn ze ook op en top 'Masereels'.

woensdag 9 augustus 2017

Chinezen in de Eerste Werldoorlog

Als je nu vertegenwoordigers van een nationaliteit niet in de Eerste Wereldoorlog verwacht, dan zullen het wel Chinezen zijn. Toch waren ook zij er, op het einde dan, vanaf 1917, bij ons in  de Westhoek en in Noord-Frankrijk. Zij waren als gastarbeiders avant la lettre door het Britse leger geronseld: ze werden niet voor de echte oorlogshandelingen gebruikt, wel als logistieke medewerkers, zoals gezegd als arbeiders. Zij werden het 'Chinese Labour Corps' genoemd, en het motto daarvan was 'Hail to the work'! Je moet niet vragen welke Chinees dat bedacht heeft. Maar daardoor heet de tentoonstelling 'Vive Labeur'. 'The British Empire' kon zich in die tijd van alles en nog wat permitteren, ook een kleine volksverhuizing organiseren van mensen van de andere kant van de wereld, die voor de rest met dit in hoofdzaak Europese conflict geen uitstaans hadden. Wie bekreunt zich daarom, moet  het Empire gedacht hebben, het zijn maar Chinezen. Hoe die zich daarbij gevoeld hebben, vertelt het verhaal niet.

In Poperinge loopt nog tot 17 september een fototentoonstelling over het leven en de bezigheden van deze Aziaten: interessant alleszins, en hij belicht een vergeten aspect van de Eerste Wereldoorlog. Je ziet ze bijvoorbeeld aan het werk bij het aanleggen van een spoorlijntje om de munitie te krijgen waar die moest zijn, en als ze er dan is, moeten de obussen natuurlijk netjes gestapeld worden.


Spoorlijntje aanleggen


Obussen stapelen

Kennelijk werkten de Chinezen geen zeven dagen op zeven: er was af en toe ook tijd voor ontspanning. Dan zie je een groep steltlopen, een traditie die ze waarschijnlijk uit hun vaderland meegebracht hebben, maar een Engelse officier heeft de regie in handen en wijst waar ze naartoe moeten. Ook tijdens hun vrije tijd waren ze niet hun eigen baas.


Gecontroleerd steltlopen

Voor alle klussen en karweien werden ze ingezet: moest er iemand begraven worden, dan droegen zij de kist. Het graf hadden ze natuurlijk ook al zelf gedolven. Op de kist die de Chinezen dragen, ligt een Union Jack: ligt daar een gewone soldaat in, of een belangrijke officier, of 'De Rode Baron'?


'Ten grave dragen'

Dat is mogelijk, maar zeker ben ik er niet van. De laatste foto is inderdaad de foto van de begrafenis van de beroemde/beruchte baron Manfred von Richthofen die in 1918 de dood vond, nadat hij zelf 80 vijandelijke vliegtuigen had neergeschoten. De Britten waren zeer beducht voor hem, maar ze hebben hem zelf in Fricourt (Noord-Franrijk) met militaire eer begraven: vier grote bloemstukken hebben ze bij zich, nogal wat mensen waren aanwezig: het respect voor deze vijand was zeer groot. In deze vuile oorlog is dit een zeldzaam bewijs van 'chivalry' zoals de Engelsen zeggen, een daad van ridderlijkheid: eventjes komt de beschaving piepen. De man helemaal rechts, met de pet op, is een Chinees: waarschijnlijk een van de grafdelvers, die nu niet meer nodig is, maar die zich niet kan bedwingen en kijkt naar wie er met enige plechtstatigheid neergelaten wordt in de kuil die hij kort geleden gegraven had (zijn schop staat nog voor de haag voor hem). Beroepstrots heet dat.


Ik ben ook betrokken, vindt de Chinees

Tot in 1920 zijn de Chinezen gebleven: na de oorlog moesten zij alles weer mee opruimen, het land een beetje fatsoeneren, en de gesneuvelden van de slagvelden halen. Leuk werk hebben ze echt niet gehad, deze mensen. Zolang de oorlog duurde, had de plaatselijke bevolking geen 'last' van hen, maar na de wapenstilstand veranderde dat: ze zagen er anders uit, hadden een totaal andere cultuur, niemand verstond hen, en zij begrepen op hun beurt geen West-Vlaams: misverstanden, fricties, conflicten en niet erg menselijke behandeling werden hun lot. Dat krijg je, als je mensen verplaatst omdat je ze alleen als goedkope werkkrachten beschouwt. Op het British Empire is vaak heel wat te zeggen, helaas.

donderdag 3 augustus 2017

Tyne Cot Cemetery

Tyne Cot Cemetery heb ik ook nog eens 'gedaan': het ligt inderdaad prachtig, het is behoorlijk uitgestrekt, de namen van talloze gesneuvelden zonder graf staan op de achterwand gebeiteld: dat zijn die er op de Menen Poort niet meer bij konden. In totaal gaat dat over zo'n 80.000 mensen: het geeft je wel een idee van de omvang van de slachting, en dit zijn alleen nog maar de onbekenden!

Nieuw is een bezoekerscentrum: dat werd in 2008 ingehuldigd door Queen Elizabeth en Prince Philippe, en Koningin Paola (Koning Albert lag toen in het ziekenhuis). Je vindt daar allerlei voorwerpen en medailles, maar het meest troffen mij twee citaten, een van King George V, en een van een gewone, anonieme vrouw.

Dat van George V luidt zo:

'We kunnen echt wel zeggen dat heel de aarde omgord is met de graven van onze doden. Tijdens mijn bedevaartstocht heb ik me vaak afgevraagd of er krachtigere pleitbezorgers voor vrede op aarde zijn in de komende jaren dan deze massale menigte stille getuigen van de troosteloosheid van de oorlog.' (11 mei 1922)

Het woord 'desolation' dat George V gebruikt, heeft veel betekenissen: verwoesting, vernietiging, diepe droefenis, en ook verlatenheid, zoals in 'van God en Klein Pierke verlaten'.

De Koning heeft het wel mooi en treffend gezegd, met woorden die men van mensen van zijn stand mag verwachten: de aarde is omgord, bedevaartstocht, pleitbezorgers, massale menigte, troosteloosheid. Hooggestemd is zijn uitspraak, maar veel gevoel spreekt er volgens mij niet uit.

Overigens gebruikte Prins Charles maandag 24 juli 2017 hetzelfde citaat tijdens de herdenking van de Slag om Passendale op Tyne Cot Cemetery. Dat was een sobere plechtigheid, waarbij naast Britten ook Australiërs, Canadezen, Nieuw-Zeelanders, Ieren en de vier Duitsers die op Tyne Cot liggen werden herdacht.


Het citaat van King George V (1922)

De onbekende jonge vrouw (de verloofde van John Low) drukt het zo uit:

'Het idee dat Jock voor zijn land gestorven is, troost me niet. Zijn herinnering is alles wat ik nog heb om lief te hebben.' (10 januari 1918, toen de oorlog nog niet afgelopen was).

Zij gebruikt geen grote woorden, zij gelooft ook niet in de leuze 'Dulce et decorum est pro patria mori' zoals Horatius ooit dichtte, maar een bewering die door Wilfred Owen, die zelf sneuvelde exact een week voor de wapenstilstand, met kracht werd bestreden. Wat de verloofde nog heeft, is alleen een herinnering om lief te hebben: met simpele woorden drukt zij de rampspoed van de oorlog raker uit dan George V. De twee citaten die in het bezoekerscentrum tegenover elkaar hangen, contrasteren enorm. Je kunt moeilijk niet gepakt zijn door de 100 jaar oude woorden van de eenzame verloofde.


Het citaat van een gewone vrouw (1918)

Zondag 24 juli had de grote herdenking van de slag dan plaats op de Grote Markt van Ieper: de BBC had kosten noch moeite gespaard, een en ander was zonder meer onberispelijk, zou je kunnen zeggen. Of niet? Waar was Angela Merkel, waar waren de staatshoofden en/of de regeringsleiders van de andere strijdende naties? Het was een puur Britse aangelegenheid, alsof alleen zij offers gebracht hebben, alsof de anderen  niet geleden hebben. Ze gedenken de slachtoffers wel, maar tezelfdertijd hun overwinning, heb ik het gevoel. In honderd jaar is er toch wel iets veranderd in Europa? Hetzelfde gevoelen krijg ik op Tyne Cot Cemetery: een beetje 'pomp and circumstances' hangt daarover, zeker als je het vergelijkt met Vladslo.

Dat we die slachtingen moeten blijven gedenken, staat buiten kijf, en de oorlogsbegraafplaatsen mogen we ook nooit wegdoen. Misschien leert heel de wereld er ooit wat van: het ware te hopen.


Bij wijze van spreken: The crosses row on row . . . 

zaterdag 29 juli 2017

Vladslo: Soldatenfriedhof

Voor het 'Treurende Ouderpaar' wilde ik per se nog eens naar het Duitse soldatenkerkhof in Vladslo: ik was er ooit geweest, 34 jaar geleden, maar dat was in de winter en het beeldenpaar was tegen weer en wind beschermd door een soort van houten huisjes, en de treurenden waren dus niet te zien.

Als je de begraafplaats betreedt, word je getroffen door de uiterste soberheid van het geheel: je ziet veel zwarte graftegels met de namen van de gesneuvelden erop, en in de verte het 'Treurende Ouderpaar' van Käthe Kollwitz.


Vladslo: uiterste soberheid

Alles ademt hier stilte, ingetogenheid en respect: voor mijn de juiste houding tegenover de dood, zeker tegenover die van de ongeveer 25.000 gevallenen die hier hun rustplaats hebben. Nu kun je zeggen: 'De Duitsers hebben de oorlog verloren, ze konden bezwaarlijk hoog van de toren blazen,' maar dat neemt niet weg dat ze hier de juiste houding en toon gevonden hebben tegenover oorlog en zijn gruwelijkheden, tegenover die van 14-18 en alle oorlogen in het algemeen.

 

Käthe Kollwitz, Het treurende ouderpaar

Helemaal achteraan staat het ouderpaar: ik heb zelden zulke indrukwekkende beelden gezien. Het is duidelijk dat dit ouderpaar niet alleen zomaar treurt, maar ten diepste lijdt: de moeder is volledig in haar mantel en sjaal weggedoken, zij kijkt gebroken naar omlaag, ze kan de wereld niet meer aan of aankijken, het vreselijkste wat een moeder lijden kan is haar overkomen. De vader zit mannelijker rechtop, maar zijn armen voor zijn lichaam gevouwen beschermen hem tegen dezelfde meest boze der boze werelden. Zijn gezicht heeft een strakke uitdrukking, grimmig en verbeten, met ingevallen wangen. Ook zijn leed is onmetelijk diep.

Vlak voor hen ligt de gezamenlijke grafzerk waarop ook de naam van hun zoon Peter. Die had als vrijwilliger in augustus 1914 vrijwillig dienst genomen, maar sneuvelde al op de 23ste oktober van dat jaar; hij was achttien jaar. Zijn broer Hans noemde later zijn zoon ook Peter, en deze Peter sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog, in Rusland in 1942. Tragiek was het leven van Käthe Kollwitz niet vreemd, helaas. Het ouderpaar wordt ten diepste geconfronteerd met hun eigen verlies, maar ze kijken als wachters bijna uit over het hele kerkhof: zijn verbeelden de treurnis en ellende van alle ouders die een kind in de oorlog verloren hebben.


De grafsteen met Peters naam erop.






Terwijl ik op het kerkhof rondwandel, word ik aangesproken door een man van Westtoerisme (veronderstel ik) die van alles wil weten over de reden van mijn bezoek, of ik er al vroeger geweest was, of op andere kerkhoven in de buurt, en er ontspint zich een gesprek over die dingen. We vergelijken Vladslo met Tyne Cot Cemetery, en komen tot dezelfde conclusie: Vladslo is zoals een militaur kerkhof hoort te zijn. Tyne Cot, gelegen op een helling, uitziend over het landschap, met witte zerken die schitteren en blikkeren in de zon is totaal anders van opzet: natuurlijk gaat het hier ook over oorlogsleed, maar ik, en mijn gesprekspartner ook, wij krijgen het gevoel dat Tyne Cot naar triomfalisme neigt, dat het ook de overwinning van 'the British Empire' uitstraalt: er heerst in ieder geval een ander sfeer dan in Vladslo.

We hebben het ook over het tegenwoordige oorlogstoerisme in de Westhoek: natuurlijk is het goed dat zo'n wereldramp na honderd jaar niet vergeten wordt, maar ik heb er tezelfdertijd een dubbel gevoel bij: je kunt naar een paar musea gaan, naar bunkers, maar hoofdzakelijk naar kerkhoven, en dan krijg ik het nare gevoel dat dat toerisme floreert op de kap van zovele doden, en dat voelt niet lekker. tenminste ik voel me daar niet zo lekker bij. En op een bepaald ogenblik word ik zo droevig dat nog een kerkhof meer niets meer aan mijn anti-oorlogsgevoelen toevoegt, dat mijn potje empathie met al die gesneuvelden vol is. En dan heb ik er genoeg van, en ik bedoel dat niets eens negatief: ik kan niet alle leed van de wereld in me opstapelen, tenslotte moet ik ook aan vandaag en mijn leven denken.

Voor sommigen is de oorlog nog niet zo lang geleden: op het parkeerterrein ontmoet ik een Nieuw-Zeelander van een jaar of 70 die in het Polygoon Bos het graf van een neef van zijn vader gevonden heeft. Dergelijke familiebanden zullen mettertijd natuurlijk veel losser worden, en dan zal de Eerste Wereldoorlog echt iets zijn uit een verdwenen wereld. Wat niet wegneemt dat we die moeten blijven gedenken. In de hoop de de wereld er eindelijk iets uit leert, want daar zijn we nu nog niet, helaas.

donderdag 27 juli 2017

Stuivekenskerke

Een van mijn dochters woont in Berchem in de Stuivekenskerkestraat. Dat ken ik, zeg ik dan, dat is in de buurt van Blankenberge! Mis, papa, dat is in de buurt van Diksmuide, in feite een deelgemeente ervan. Een deelgehucht is correcter uitgedrukt, maar laten we niet vitten.
 

Historische straatnaam

Overigens hebben de straten in die Berchemse buurt allemaal Eerste-Wereldoorlognamen: Passendalestraat, Langemarkstraat, Kortemarkstraat. Geert Bourgeois had zijn oorlogstoerisme naar Antwerpen kunnen verplaatsen! In ieder geval: onlangs was ik weer in West-Vlaanderen, en mijn nieuwsgierigheid dreef me naar Stuivekenskerke: wat is daar gebeurd, wat is daar nog te zien?

Er is in ieder geval geen epische slag geleverd, geen geen mosterdgas uitgetest of ander onfraais: Oud-Stuivekenskerke was een vooruitgeschoven wachtpost aan dat deel van het front. Dat wil niet zeggen dat er niet duchtig geschoten is: van de kerktoren die in 1914 nog mooi volwassen rechtop stond, restte in 1918 alleen nog de basis. Van hieruit werd de vijand in de gaten gehouden en werd communicatie dienaangaande verspreid. En de vijand heeft Oud-Stuivekenskerke nooit kunnen veroveren: 'Tot hier, en niet verder!' was het parool.


De gerestaureerde torenstomp


Ansichtkaart met de toen nog trotse toren en de ruïnes ervan

De man die de wacht voor een grote deel van de oorlog waarnam, was een geestelijke: Edouard Lekeux heette die. Na de oorlog is hij terug naar zijn klooster gegaan, onder de naam frater Martial (what's in a name!). Hij werd als een held beschouwd, maar zo zag hij zichzelf niet. Toch heeft die periode uit zijn leven grote indruk op hem gemaakt: op zijn initiatief wordt op die plaats een herinneringskapel gebouwd, en op 6 september 1926 ingewijd. Ze is opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw ter Zege. Vandaar ook dat de plaats nu Onze-Lieve-Vrouwehoekje wordt genoemd.


Frater Martials kapel: Onze-Lieve-Vrouw ter Zege

De kapel heeft een aantal glas-in-loodramen die natuurlijk verwijzen naar de oorlog die bij de inwijding nog maar acht jaar achter de rug was: frater Martials heeft er vaart achter gezet, achter zijn kapel. De koning en de koningen ontbreken natuurlijk niet, evenmin als frater Martialis zelf: de biddende soldaat
bij de ruïnes van de toren is ongetwijfeld Edouard Lekeux; de heilige naar wie hij schijnt te kijken is dan weer Sint-Martialis.


De koning-ridder en de koningin-verpleegster


Martialis twee keer: de heilige en de frater

Op de toren, die je overigens kunt beklimmen, wappert de nationale vlag: dit is Belgisch, en dat is altijd zo geweest schijnt ze te zeggen.


De nationale driekleur als bevestiging

Oud-Stuivekenskerke is niet zo beroemd of berucht als Passendale of Ieper, maar dat hoeft ook niet: er moet niet overal peilloos leed geleden zijn. Maar op zijn manier is het belangrijk geweest, en er is niets mis mee om dat op een sobere manier te gedenken. Daarom heeft Berchem ook zijn Stuivekenskerkestraat.

dinsdag 25 juli 2017

Malmedy mon amour: wandeling langs de Warche

Als ik de kans en een goede reden heb om naar Malmedy te rijden, zal ik het niet laten: sinds we er in de jaren 80 met de kinderen in de stacaravan van mijn schoonouders menige vakantie doorbrachten, ben ik verslingerd op de streek en het stadje. Ik zou er een film over moeten maken: 'Malmedy mon amour!' En als ik dan rond vier uur in Roumez moet zijn, besteed ik eerst de nodige tijd aan 'mon amour': zal ik de wandeling in Bellevaux nog eens doen, of die langs de Warche?

De Warche dan maar, 5 à 6 kilometer met de scootmobiel rijden langs het koele riviertje, en landschappen, bloemen en stromend water bekijken: zalig ontspannen is dat. Voor je aan de eigenlijke wandeling begint, moet je eerst nog voorbij de steengroeve van 'Nelles et Frères'. Ik heb het nooit anders geweten dan dat bedrijf het landschap afgraaft en verandert: veel industrie zie in deze streek niet, maar dit is er een voorbeeld van. De 'carrière' zorgt voor werkgelegenheid - hoewel, honderden arbeiders zijn er ook niet aan de slag - en brengt allicht enige rijkdom naar Malmedy. Een afgegraven partij rots verdraagt nog net een klein bos boven zich. Een bos? Nee, geen bos, een rijtje bomen, de laatsten der Mohikanen, meer stelt het niet voor.


Nelles et Frères: de steengroeve en een plukje bomen

Op de hellingen naast de Warche krijg je wel mooie lichteffecten: zwarte bomen filteren het licht, een beetje magisch vind ik het.


Gefilterd licht

Maar het bos staat hier niet alleen ter verstrooiing en ontspanning van de drukke (Vlaamse) stadsmens: de bosbouw levert hier ook vruchten op. Delen bos zijn gewoon gerooid, en de resultaten daarvan liggen langs de weg te drogen en vooral te wachten op transport. Daar kan de druk bezette stadsmens zijn interieur dan weer mooier mee maken: de Ardennen in gezaagde planken in huis. O Freude, O Wonne!


Bosoogst,


wachtend op het passende interieur

Voor de grote bloemen kom ik net in het tussenseizoen: de lupinen zijn bijna allemaal uitgebloeid, net zoals het vingerhoedskruid, en voor de reuzenbalsemien ben ik een maandje te vroeg: begin augustus staan die hier in overvloed, maar nu nog niet. Varens zie je wel veel: in vochtige, eerder donkere omstandigheden doen die het wel erg goed. Bloemen hebben die niet, maar mooi groen zijn ze wel.


Volwassen vingerhoedskruid


Varens op de Warche

Na een zestal kilometers moet mijn scootmobiel zich gewonnen geven: verder gaat het niet meer. Ik kom op mijn plaats van 'forced return': een bruggetje ligt daar over de Warche, maar daar durf ik met mijn scootmobiel niet over. Soms moet je met zo'n voertuig toch beter voorzichtig zijn. Als persoon met een beperking in een Ardens woud met de scootmobiel verongelukken vind ik ironie te veel, we zullen de goden niet uitdagen. Bovendien, voorbij dat bruggetje verandert de redelijke brede en begaanbare weg in een smal bospaadje, dat overigens naar Reinhardstein leidt, en dat zou meer dan een spreekwoordelijk bruggetje te ver zijn: een mens moet zijn grenzen kennen, en die van zijn scootmobiel.


De Warche bij mijn eindpunt


Het bruggetje te ver

Dus keer ik om, ik maak een bocht van 180 graden, 'indien mogelijk, maak een U-bocht,' zegt mijn gps dan, en hier is dat geen probleem. Weer zes kilometer, maar nu zie ik het landschap van uit de tegengestelde richting, wat mij ook best bevalt. Want: de Warche en 'Malmedy mon amour'

maandag 24 juli 2017

Roumez (Stoumont)

Zeventig jaar worden is toch wel iets speciaals, dachten mijn kinderen, en ze bedenken mij met een weekendje Ardennen. Met twaalf zijn we daar: drie koppeltjes, drie kleinkinderen en ikzelf, als feestvarken. Nu is Roumez geen wereldstad, maar met een pas aangeschafte gps kom je er wel: op de moderne wegwijzerijtechniek kun je tenminste vertrouwen, dat staat als een paal boven water. Helaas, water is er op de hellingen niet te zien, laat staan dat er palen boven staan. Telkens opnieuw word ik naar een bord gestuurd, waarop te lezen: 'Piste de ski, 2,5 km': ik kan niet skiën, en het seizoen is ook al totaal verkeerd. Stomme gps! Maar de smartphone van mijn dochter is al verder op de weg naar meer beschaving, en zo komen we in Roumez.

Drie huizen heeft het plaatsje: twee die tot een boerderij horen, en een  moderner, dat het vakantiehuis voorstelt: 'L'hirondelle' heet het. Terecht zullen we merken, want aan de schuur er vlak naast vliegen de zwaluwen af en aan om hun jongen te voeren: heel druk hebben die vogeltjes het, maar voor de rest bevinden we ons in de zaligste der rustieke kalmtes!


Druk druk druk!

De weg die er naartoe loopt, eindigt er ook, alsof de beschaafde wereld hier ophoudt! Maar Roumez heeft zijn trots: het bekende bord dat een bebouwde kom aanduidt, valt zeer prominent op. Geen torens, hoge gebouwen en ander stadsvertoon hier, maar je rijdt wel een agglomeratie binnen, en dat zal je geweten hebben!




Agglomeratie!

En dan de inwoners: de boerenfamilie, de toevallige vakantiegangers, de zwaluwen, twee waakhonden die 's ochtends een half uur los mogen lopen, en twee koeien met twee kalfjes: weg van de hectiek van al te bedrijvig en jachtig stadsleven, je leeft hier effectief in een andere wereld!


Lid van de plaatselijke veestapel

Vlak voor ons huisje ligt zowaar een korenveld: niks maïs in de buurt, niks monoculturen hier. Het katapulteert je als het ware terug in de tijd, toen graan in de Kempen ook nog belangrijk was.


Eigentijds Ardens korenveld

Bovendien is het er zeer mooi: je kijkt uit over de vallei, op de helling ertegenover, en je ziet een zonsondergang zoals je die hier niet meemaakt. Waar kan ik nog beter zijn, om met de familie mijn 70 jaar te vieren?




Zonsondergang tegenover Remoux

donderdag 22 juni 2017

Sint-Truiden, begijnhofkerk - meer muurschilderingen

Van de schilderingen uit het begin van de veertiende eeuw is het moeilijk foto's te maken: de apostelen Johannes, Petrus en Paulus (die dus geen apostel was) zitten achter het hoogaltaar, en daar kun je niet makkelijk bij. Ik heb er op het internet wel een gevonden van de 'Heilige Maria Magdalena met Vera Icoon'. Uit 'Muurschilderingen in Limburg': 'Sommige auteurs maken gewag van een vroege voorstelling van de H. Veronica, andere zien er een Maria Magdalena, een H. Agnes, een Byzantijns Madonnatype of een anonieme dragende figuur in.' Er was een bevlogen gids in de kerk, en die had het erover dat het toch om Maria Magdalena zou gaan. De schildering is wel een beetje beschadigd, maar je ziet alleen aan de stijl al dat ze ouder is dan de meeste muurschilderingen in de kerk.



Maria Magdalena met de Vera Icoon

En als je beter toekijkt, ontdek je dat sommige van de schilderingen hoogstwaarschijnlijk door dezelfde kunstenaar gemaakt zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval met de 'Annunciatie' en de 'Heilige Elisabeth van Hongarije of Thüringen'; je vindt trouwens ook vlak bij elkaar: nummers 23 en 24 zijn het. Ze hebben dezelfde vloer op de voorgrond, en dezelfde aandacht voor het mooi vallen van hun gewaden. Dat moet wel van dezelfde schilder zijn. Elisabeth draagt een bord met twee vissen, en dat is erg toepasselijk: ondanks haar eerder ongelukkig leven (zij was nochtans de dochter van de koning van Hongarije) stond zij de armen metterdaad bij, en bracht hen voedsel, en ze verzorgde zieken. Zij is de heilige door wie nogal wat ziekenhuizen haar naam dragen. Links onderaan zie je weer twee begijntjes zitten. En wandtapijt uit 1540 dat aan haar leven gewijd is, hangt in de Sint-Katharinakerk in Hoogstraten: ook zeer bezienswaardig.


De Heilige Elisabeth van Hongarije of Thüringen


De Annunciatie

Een tweede Maria Magdalena uit het begin van de zestiende eeuw wordt afgebeeld met een zalfpot in haar handen: zij heeft de voeten van Christus gezalfd, vandaar. Deze schilder heeft bij de plooienval van haar kleed veel dikkere lijnen gebruikt.


De Heilige Maria Magdalena

On getwijfeld dezelfde man is aan het werk geweest bij de 'Marteling van de Heilige Agatha'. Zij wilde niet met een heidense keizer trouwen, want zij was al de bruid van Christus. Ondanks forse vernederingen bleef zij haar geloof trouw, zodat ze tenslotte gemarteld werd: haar borsten zonder veel omhaal gewoon afgeknipt of afgesneden. Maar een man - in wie men Sint Petrus zaag - genas haar. Uiteindelijk stierf ze toch ten gevolge van martelingen. Agatha was van Sicilië, en zij wordt aangeroepen als Catania en de streek er rond weer eens bedreigd worden door uitbarstingen van de Etna.


Marteling van de Heilige Agatha

Als je er de verhaaltjes van de vrouwelijke heiligen uit de eerste eeuwen van het christendom op naleest, zie je dat ze steeds op hetzelfde neerkomen: een mooie jonge maagd wordt door een heidens man als bruid verlangd, zij weigert dat omdat ze christen is, ze wordt dan gefolterd, wordt martelares en tot de eer van het altaar verheven. Celibataire vrouwen zoals begijnen moeten zich daardoor aangesproken hebben gevoeld, in illo tempore. Daar ging met dan toch van uit.