donderdag 22 juni 2017

Sint-Truiden, begijnhofkerk - meer muurschilderingen

Van de schilderingen uit het begin van de veertiende eeuw is het moeilijk foto's te maken: de apostelen Johannes, Petrus en Paulus (die dus geen apostel was) zitten achter het hoogaltaar, en daar kun je niet makkelijk bij. Ik heb er op het internet wel een gevonden van de 'Heilige Maria Magdalena met Vera Icoon': het verhaal dat dat de Heilige Veronica zou moeten zijn, wordt hier als apocrief bestempeld, en men vertelt dat het Christus' beste vriendin is die zijn beeld toont. De schildering is wel een beetje beschadigd, maar je ziet alleen aan de stijl al dat ze ouder is dan de meeste muurschilderingen in de kerk.


Maria Magdalena met de Vera Icoon

En als je beter toekijkt, ontdek je dat sommige van de schilderingen hoogstwaarschijnlijk door dezelfde kunstenaar gemaakt zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval met de 'Annunciatie' en de 'Heilige Elisabeth van Hongarije of Thüringen'; je vindt trouwens ook vlak bij elkaar: nummers 23 en 24 zijn het. Ze hebben dezelfde vloer op de voorgrond, en dezelfde aandacht voor het mooi vallen van hun gewaden. Dat moet wel van dezelfde schilder zijn. Elisabeth draagt een bord met twee vissen, en dat is erg toepasselijk: ondanks haar eerder ongelukkig leven (zij was nochtans de dochter van de koning van Hongarije) stond zij de armen metterdaad bij, en bracht hen voedsel, en ze verzorgde zieken. Zij is de heilige door wie nogal wat ziekenhuizen haar naam dragen. Links onderaan zie je weer twee begijntjes zitten. En wandtapijt uit 1540 dat aan haar leven gewijd is, hangt in de Sint-Katharinakerk in Hoogstraten: ook zeer bezienswaardig.


De Heilige Elisabeth van Hongarije of Thüringen


De Annunciatie

Een tweede Maria Magdalena uit het begin van de zestiende eeuw wordt afgebeeld met een zalfpot in haar handen: zij heeft de voeten van Christus gezalfd, vandaar. Deze schilder heeft bij de plooienval van haar kleed veel dikkere lijnen gebruikt.


De Heilige Maria Magdalena

On getwijfeld dezelfde man is aan het werk geweest bij de 'Marteling van de Heilige Agatha'. Zij wilde niet met een heidense keizer trouwen, want zij was al de bruid van Christus. Ondanks forse vernederingen bleef zij haar geloof trouw, zodat ze tenslotte gemarteld werd: haar borsten zonder veel omhaal gewoon afgeknipt of afgesneden. Maar een man - in wie men Sint Petrus zaag - genas haar. Uiteindelijk stierf ze toch ten gevolge van martelingen. Agatha was van Sicilië, en zij wordt aangeroepen als Catania en de streek er rond weer eens bedreigd worden door uitbarstingen van de Etna.


Marteling van de Heilige Agatha

Als je er de verhaaltjes van de vrouwelijke heiligen uit de eerste eeuwen van het christendom op naleest, zie je dat ze steeds op hetzelfde neerkomen: een mooie jonge maagd wordt door een heidens man als bruid verlangd, zij weigert dat omdat ze christen is, ze wordt dan gefolterd, wordt martelares en tot de eer van het altaar verheven. Celibataire vrouwen zoals begijnen moeten zich daardoor aangesproken hebben gevoeld, in illo tempore. Daar ging met dan toch van uit.

woensdag 21 juni 2017

Sint-Truiden, begijnhofkerk - de muurschilderingen

Wat de begijnhofkerk van Sint-Truiden zo speciaal maakt zijn de 37 muur- en pilaarschilderingen: op een na zijn ze allemaal gerestaureerd, maar die ene is best nog wel in goede staat. Het zal ook niet verbazen dat voor begijnen vooral vrouwelijke heiligen werden afgebeeld: zij waren de te volgen voorbeelden, en hun inspiratie en navolging zou tot de eeuwige zaligheid leiden, zou ze bij hun Bruidegom brengen. Maar ook andere onderwerpen uit de katholieke leer komen aan bod.

Een redelijk grote muurschildering beeldt de 'Zeven werken van barmhartigheid' uit. Dat werk is in vijf vakken verdeeld: uiterst links en rechts bovenaan worden in één vak telkens twee werken behandeld, en zo is toch wat ruimte bespaard om ze er alle zeven bij elkaar op te krijgen: laten we een beetje creatief zijn, zal de schilder gedacht hebben. Links boven zien we 'de naakten kleden' en 'de vreemdelingen onderdak verlenen' - Angela Merkel was met 'wir schaffen das' echt wel bijbelvast - rechts boven 'worden de hongerigen gespijsd' en 'de dorstigen gelaafd', vlak daaronder 'de zieken verzorgd', aan de linkerkant 'de gevangenen bezocht'. Centraal staat natuurlijk 'de doden begraven': je moet zeker zorgen voor iemand die op weg is naar de hemelse zaligheid. Op de plaatje over de gevangenen zie je dat de zittende figuur voetboeien draagt, de bezoeker praat tegen hem of haar, en op de achtergrond slaat een engel het tafereel goedkeurend gade. Niet alleen begijnen kwamen naar deze kerk, ook gewone gelovigen, de meesten allicht analfabeet, en door deze visuele didactische middelen konden zij ook weten en begrijpen waar het over ging, en wat van hen verwacht werd.


De zeven werken van barmhartigheid (einde 16de eeuw)

Heel interessant is ook een 'Rozenkrans', ook al uit het einde van de 16de eeuw.
In het centrale deel zit een Sint-Anna-te-drieën - alle drie hebben ze de aureool van de heiligheid - en voor heen zit een heilige te bidden: mogelijk een minderbroeder, want hij draagt de tonsuur. Achter Maria zit naar alle waarschijnlijkheid een begijn: die zie je meer op de schilderingen in deze kerk:. Waarschijnlijk is zij de opdrachtgeefster van dit werk, en die wilde dan ook  afgebeeld worden. Biddende engelen boven hen geven het tafereel iets paradijslijks. Rond het grote vignet beelden aan aantal andere het lijdensverhaal van Christus uit: een echte kruisweg als het ware, maar met vijftien staties in plaats van de ons vertrouwde veertien. In de hoeken van onderen tonen twee engelen attributen die met de passie van Jezus te maken hebben, maar boven zweven er twee eerder triomfantelijk: onze zonden zijn door zijn dood uitgewist en de dood is overwonnen.


De rozenkrans

Maria is natuurlijk ook prominent aanwezig in deze kerk voor religieuze vrouwen, met de vertrouwde thema's overigens. Een annunciatie ontbreekt dan natuurlijk niet: dat is eigenlijk het allereerste begin van de heilsgeschiedenis.Ik zou zeggen dat dit werk schilderkunstig beter is dan de vorige: veel aandac ht is besteed aan de plooienval van de kleren, pictural hebben we hier met een hoger niveau te maken.


Annunciatie of verkondiging van de boodschap aan Maria (begin 16de eeuw)

Uit dezelfde periode dateert de 'Dood van Maria en haar Tenhemelopneming', een andere  schildering met meer dan een onderwerp. In de vijftiende eeuw heeft Hugo van der Goes een prachtige 'Dood van Maria' geschilderd, waarop zijj op haar sterfbed omringd wordt door de apostelen en Christus vanuit de hemel op het tafereel toekijkt. Hier krijg je grotendeels dezelfde scène te zien: apostelen  en heiligen rond de pas overleden Moeder Gods die nog een kaars in haar linkerhand gedrukt krijgt. Helemaal links boven geleiden engelen Maria de hemel in. Opnieuw worden de katholieke geloofswaarheden aanschouwelijk, en in een eerder naïeve taal voorgesteld, voor iedereen begrijpelijk. Deze schildering is de enige in deze kerk die niet gerestaureerd werd: opvallend is hoe goed ze bewaard is.


Dood van Maria en Tenhemelopneming

Men zou veel van deze schilderingen naïef en charmant kunnen noemen, maar dat is dan het eerder neerbuigende oordeel van een twintigste-eeuwer die vindt 'dass alles schon da gewesen ist'. En dat verdienen deze godsdienstige kunstwerkjes niet: ze zijn interessante getuigen van een manier van streven naar geluk die voor velen van ons niet meer geldt. Maar niettemin komen ze mij  ontroerend over.

maandag 19 juni 2017

Sint-Truiden: de begijnhofherk

Sint-Truiden heeft een zeer oud begijnhof: het werd al gesticht in het jaar 1258! Dat heeft een mooie, eenvoudige kerk, die in 1265 werd in gewijd, en die zowel romaanse als gotische kenmerken heeft, hoewel men van een vroeggotisch gebouw spreekt. Na de dertiende eeuw werd de oorspronkelijk kleine kerk verbouwd en vergroot, zodat wat er nu staat pas in 1511 voltooid was.


De begijnhofkerk van Sint-Truiden

Voor een begijnhof is het een tamelijk grote kerk: als je er binnenkomt, krijg je in ieder geval en gevoel van veel ruimte. Dat komt ook wel door het feit dat ze nauwelijks meubilair bevat. De ramen hebben gotische spitsbogen, maar de zuilen zijn onmiskenbaar romaans: stoer en fors zijn ze, vierkant ook, uit een stuk als het ware, zonder gotische pijlers ter versiering, en met een versterkte voet.


Voetstuk van een zuil: sterk en kaal

Wat ook opvalt: de kerk heeft een houten tongewelf, en dat zie je niet zo vaak. In West-Vlaanderen, in de kuststreek heb ik er zo wel een aantal gezien, maar elders eigenlijk niet. Hier dus wel. De foto hieronder suggereert ook de grote afmetingen van de kerk, en enige strengheid: vooral wit, geen beelden, geen schilderijen aan de muren. Het bevalt mij wel, moet ik zeggen.


Het tongewelf boven de ruime kerk


Het tongewelf in het hoogkoor

Deze kerk doet me denken aan die van de abdij van Sénanque, in de Provence: die is natuurlijk veel groter en robuuster, en die heeft nog veel meer de pure essentie van wat een kerk kan zijn, maar Sint-Truiden komt toch aardig in de buurt. En onbekende parel is deze begijnhofkerk, en dan heb ik het nog niet gehad over de muurschilderingen: dat is pas een verrassing!


De voorgevel, met een romaanse rondboog boven de toegangspoort

vrijdag 16 juni 2017

Het Sint-Jobretabel van Schoonbroek - II

Het meest opvallende deel van het Sint-Jobretabel is natuurlijk het beeldhouwwerk waarin het lijden van Job wordt weergegeven. 'het is niet al goud wat blinkt' zegt men, maar hier is dat bijna wel het geval, om het een ietsje overdreven te formuleren. En heel veel kleuren ook: 'gepolychromeerd' is hier echt wel op zijn plaats. Op het bovenste deel is Job omringd door zijn familie: dat is het einde van zijn rampspoed en ellende: hij glimlacht, net zoals de figuurtjes naast hem. 'En de Heer bracht een keer in het lot van Job, toen hij voor zijn vrienden gebeden had, en de Heer gaf Job het dubbele van al wat hij bezeten had. Toen kwamen al zijn broeders en zusters en al zijn vroegere bekenden tot hem en aten met hem in zijn huis.' (Job 42 : 10-11) Job heeft zich Gods trouwe dienaar getoond, en God beloont hem dan ook.


De beloning, de bekroning: Jobs voorspoed is terug

Een ander tafereel toont wat ook al in de predella te zien was: knechten worden doodgestoken, het vee geroofd. Zoals in de vorige scène vallen de kleuren op, maar ook de levendigheid van de minutieus gebeeldhouwde figuurtjes: regelrecht monnikenwerk moet dat geweest zijn, je vraagt je af hoe de makers dat ooit klaargespeeld hebben. Uitmuntende ambachtslui waren zijn  ongetwijfeld.


De tweede jobstijding gebeeldhouwd

Het boek Job is vooral een een filosofisch-religieuze discussie over het lijden. Drie vrienden komen naar de ongelukkige om hem te troosten en te beklagen: die vrienden heten Elifaz, Bildad en Sofar en samen proberen zij te achterhalen waar het lijden vandaan komt en wat de zin ervan is. Elifaz stelt dat niemand onschuldig lijdt, maar dat na de kastijding zegen komt. Bildad beweert dan weer dat God naar recht straft. Sofar raadt Job dan weer aan zich voor de alwetende God te 'verootmoedigen'. Zo praten zij een hele tijd verder over de niet meest voor de hand liggende aspecten van het lijden, tot  God zelf tussenkomt en tot de drie bezoekers zegt hij: 'Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw beide vrienden, want gij hebt niet recht van Mij gesproken zoals mijn knecht Job'. Waarop dan Jobs eerherstel volgt en nog veel meer dan dat.


Aankomst van de drie vrienden


De drie vrienden worden door God weggestuurd

Met zijn verdubbelde bezit en rijkdom leidt Job nog een lang en gelukkig leven: 'Daarna leefde Job nog honderd veertig jaar; hij zag zijn kinderen en kindskinderen, vier geslachten. En Job stierf oud en van het leven verzadigd' (Job 42 : 16-17) Job zou tweehonderd jaar oud geworden zijn: alleen mythologische personages kunnen dat; je vindt ze bij de Joden zowel als bij de Grieken.

Het Boek Job is een zeer stichtelijk verhaal dat aanspoort tot trouw aan God en braafheid, en zo wordt iedereen in de samenleving op zijn plats gehouden. En het retabel, zoveel eeuwen na het verhaal', maakt alles indrukwekkend aanschouwelijk. Mooi is het wel, dat tenminste.

dinsdag 13 juni 2017

Merksplas Kolonie - De landloper

Als je het bezoekerscentrum van Merksplas Kolonie binnenloopt, passeer je de officiële negentiende-eeuwse naam van de instelling: 'Koloniën van Weldadigheid'. Die Koloniën dateren nog uit de tijd van het korte bestaan van het 'Koninkrijk der Verenigde Nederlanden'. Willem I, toen onze koning, wist kennelijk dat hij met deze vorm van liefdadigheid goed deed. En misschien was dat ook wel zo: sinds de wet op de landloperij in 1993 afgeschaft werd, nam het verschijnsel 'dakloze' echt wel toe. En dat probleem vraagt toch ook een oplossing, denk ik dan.


Tegenwoordig 'open dag', maar niet meer voor landlopers: die zijn van naam veranderd.

Als ik dan binnen sta, word ik getroffen dat een behoorlijk grote foto die ik meteen herken: hij staat namelijk op de omslag van het boek 'Landlopers' van Toon Horsten. Die foto trekt mijn ongelooflijk aan: een oude man kijkt je niet eens aan, glimlacht hij een heel klein beetje, vraag ik me af, zijn haar is wat de Engelsen 'unkempt' noemen, ongekamd, maar zeker ook slonzig en verwaarloosd. Een met rimpels doorgroefd gezicht heeft hij, getuige van een hard leven allicht. Wat doet die foto toch met mij, blijf ik me afvragen. En toen schoot door mijn hoofd 'Zie mij aan, arme Spaanse vluchteling', een regel van een lied van voor Wereldoorlog Twee, over de inderdaad Spaanse vluchtelingen die toen in België en Nederland terechtgekomen waren. Jeroen Olyslaegers citeert het in zijn roman 'Wil'. En ik heb het, toen ik elf of twaalf was vaak gehoord op de koffergrammofoon van Bompa, toestel dat mijn vader naar ons thuis getransporteerd had. Op een dertigtoerenplaat was dat nog, ergens in 1958-1960. Maar toen lichtte het mij helemaal op: 'Ecce Homo' is de foto van deze oude man. En met liefde is dat beeld gemaakt, tenminste, zo voel ik dat: de fotograaf tast de waardigheid van de oude helemaal niet aan, en hoe ellendig en armzalig zijn leven ook geweest mag, deerniswekkend komt hij mij niet over, eerder 'sympahtiek', in de oorsproneklijke betekenis van het woord: 'medevoelend, mede-lijdend'. Enorm geslaagd vind ik dit beeld.

De foto is gemaakt door James Noble, en die hoort thuis in Toronto, Canada. Of ik daar de juiste Noble mee gevonden heb, weet ik niet, want de man maakt vooral reportages van huwelijken en foto's van 'well-to-do burghers'. Maar dat Toon Horsten voor zijn boek een foto van iemand van de andere kant van de wereld gebruikt, vind ik dan weer getuigend van enige kiesheid: geen Vlaming of Belg zal hier een verwant in herkennen. Ik vind het allemaal nogal indrukwekkend.


Ecce Homo

Een vleugje humor: het bezoekerscentrum is ondergebracht in de vroeger varkensstallen. het achterdeel van een zeug met drie biggetjes steekt uit een van de poortjes. Op een of andere manier was Merksplas Kolonie toch vruchtbaar.


Her verleden in kunststof geëvoceerd

Merksplas Kolonie: het bezoeken waard, zeker ook voor de natuur.

zondag 11 juni 2017

Het Sint-Jobretabel van Schoonbroek - I

Het Sint-Jobretabel in het kerkje van Schoonbroek zuigt onmiddellijk alle aandacht naar zich toe: het domineert de hele ruimte. Zelfs als het gesloten is, besef je dat dit wel iets meer is dan wat geschilderde figuurtjes op houten panelen. Het is behoorlijk groot en daardoor erg verrassend dat het in zo'n klein kerkje van te lande hangt. Op de gesloten luiken zijn vier 'heiligen' afgebeeld: de tweede van links is zonder twijfel Christus zelf, zegenend met zijn rechterhand, een wereldbol in zijn linkerhand. Links naast hem staat volgens mij de Heilige Johannes: ik meen hem aan zijn kruisstaf te herkennen. Wie de heiligen aan de rechterkant zijn, weet ik niet, maar zij tonen teksten, die allicht een waarborg voor de waarheid zijn. Boven deze vier zie je nog twee heiligen te paard, en helemaal van boven troont Job zelf, als voorbeeld par excellence van gelijkmoedigheid,  trouw aan en vertrouwen in God, overdekt met zijn zweren, spreekwoordelijk in zak en as.


Het gesloten retabel

Het geopende retabel is overweldigend: centraal is het al goud dat blinkt, links en rechts wordt Jobs leven voor en na zijn ongelooflijke beproeving geschilderd.


Het geopende retabel


Idem, van dichterbij

Op het linkerluik zie je Jobs leven voor de beproeving: hij is een rijke burger, zijn huis ziet eruit als een kasteel, zijn tafel is goed gedekt, het gezelschap gedraagt zich aan tafel zeer beschaafd: hij is een man die het gemaakt heeft. In het schilderijtje rechts onderaan merk je dat zijn zeer voorspoedige omstandigheden Job niet beletten zijn God trouw te blijven: hij zit voor een altaar waarop zijn offeranden liggen te bidden; hij is werkelijk een onberispelijk en voorbeeldig man.


Het linkerluik

Aan de rechterkant wordt Job beloond voor zijn trouw en vertrouwen tijdens zijn periode van verlies en ellende: hij heeft weer een vrouw, kinderen, en zijn 'kasteel' dat ook vernietigd was, wordt weer opgebouwd. Welstand en gezelligheid zijn terug: God is nog altijd sterker dat de Satan die Job dat alles mocht aandoen.


Het rechterluik

De mythe van Job is prachtig didactisch materiaal dat de gelovigen moest stichten, en dat is hier wel zeer mooi uitgebeeld. Maar het meest sensationele deel van het verhaal blijft bewaard voor het centrale deel van het retabel: Jobs ellende.

vrijdag 9 juni 2017

Het Sint-Jobretabel van Schoonbroek - predella

Het Sint-Jobretabel in Schoonbroek is ondertussen in de streek genoegzaam bekend, maar je krijgt het in zijn geheel maar zelden te zien. Verleden zondag had ik nog eens de kans: toevallig gelezen in de Gazet van Antwerpen, bij het Kempens nieuws. Ik daar dus naartoe, helaas een klein beetje te laat, maar toch nog op tijd genoeg om een plaatselijke kenner een deel van zijn toelichting te horen geven.

Hij had het onder andere over de predella - het voetstuk van het retabel - en wat er op de schilderijtjes te zien was: de drie jobstijdingen. Ik heb het boek Job ooit wel eens gelezen, maar na de uitleg van de man ben ik het nog eens na gaan kijken.


De predella boven het Lam Gods

In het begin van het verhaal - in proza - overkomen Job drie rampen: zijn veestapel wordt vernietigd: in de Bijbel luidt het dan: 'Op een zekere dag ... kwam een bode tot Job en zeide: 'De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen dicht erbij aan het grazen, toen de Sabeeërs een inval deden en ze roofden; en de knechten sloegen zij met de scherpte des zwaards; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.' (Job I : 13-15)

Dat wordt uitgebeeld in het eerste schilderijtje: gedode schapen, een vermoorde en een vluchtende knecht, en iets meer naar achteren een Sabeeër die nog volop schapen aan het slachten is: de rampspoed en dramatiek zijn duidelijk.


De eerste jobstijding

Maar dat is nog maar het begin: een tweede stam komt eraan en sticht zo mogelijk nog meer onheil. Het Oude Testament gaat zo verder: 'De Chaldeeën hadden drie bendes gevormd, overvielen de kamelen en roofden ze; en de knechten sloegen zij met de scherpte des zwaards: ik alleen maar ben ontkomen om om het aan u te zeggen.' (Job I : 17)

Typisch ook hoe de verteller dezelfde vaste zinnen of delen ervan gebruikt. Op het schilderijtje zie je geen kamelen, maar wel de Chaldeeën die met bruut wapengeweld de knechten afslachten. Meer drama dan op het eerste deeltje van de predella, dat is duidelijk.


De tweede jobstijding

De derde ramp wordt niet door menselijk vijanden veroorzaakt, maar door het weer. Een derde bode komt naar Job met zijn mededeling: 'Uw zonen en dochters waren aan het eten en wijndrinken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, en zie, daar stak een zware storm op van over de woestijn, greep het huis bij de vier hoeken aan, en het viel op de jonge mensen, zodat zij stierven; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.' (Job I : 18-19)

Je ziet de Jobs zonen en dochters in uiterste verschrikking opkijken naar de zoldering van het huis dat zo meteen in zal storten en hen doden: beweging en drama genoeg, want het zijn mensen, de kinderen van Job die ten onder gaan!


De derde jobstijding

Na al deze ellende die hem getroffen heeft, en waardoor hij alleen zichzelf nog niet verloren heeft, reageert Job met de in dit geval verbluffende woorden: 'De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd.' Als voorbeeld van gelijkmoedigheid kan dat tellen. (Job : I -21) Overigens eindigt het toneelstuk 'Schipper naast God' van Jan de Hartog ook met deze uitspraak, maar hier gaat het over een totaal ander conflict (Joden vlak voor de Tweede Wereldoorlog ergens veilig aan land krijgen)

Ondertussen is het wel goed gezien is het om voor deze predella de eerste drie rampen te kiezen die Job teisteren: daar begint het allemaal mee, het is het voetstuk, het fundament van het verhaal van Job. Waar hij zelf dan mee geteisterd wordt, is onderwerp van het eigenlijke retabel, en dat is, zoals we nog zullen zien, overvloedig rijk.

De taal van het verhaal verdient ook bijzondere aandacht: 'de scherpte des zwaards', 'het vuur Gods', 'ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen': het doet me aan Homerus denken. Het op een gewone manier zeggen dringt veel minder door: ze staken ze neer, ze werden doodgebliksemd, ik ben zo snel mogelijk naar hier gekomen om het te vertellen? Dat klinkt veel te prozaïsch, dat is te gewoontjes. Bij God en dergelijke rampen passen plechtstatigheid en verhevenheid: dat heeft de auteur goed aangevoeld, zijn manier van formuleren boezemt ontzag in, wat de schrijver natuurlijk wilde bereiken.

Dit gaat dan niet over schilderwerkjes uit de eerste helft van de zestiende eeuw, wel over religieuze verhalen van vijf of meer eeuwen voor Christus en hoe ze te vertellen. En dat geeft je toch een beetje inzicht in de mensen van toen. Kracht van de literatuur is dat!

vrijdag 26 mei 2017

Joos de Momper II in 'The sky is the limit' - Rochoxhuis

De voorlopig laatste tentoonstelling in het Rockoxhuis is gewijd aan de Nederlandse landschapsschilderkunst uit de zestiende en zeventiende eeuw: 'The sky is the limit' heet die zeer bescheiden, maar misschien wel terecht. Een van die schilders intrigeerde me al een hele tijd: Joos de Momper II, zowel voor de naam zelf, als voor zijn predicaat 'II', de tweede dus. Want dan vraag ik me onmiddellijk af: wie is dan de eerste? En de naam zelf: die doet uit de verte wat aan 'mompelen' denken, maar een 'l' is  geen 'r'. 'De Momper' is nog zo moeilijk niet: het is een vadersnaam, afkomstig van de voornaam 'Mombert'. Maar die 'tweede'? Op de Nederlandstalige Wikipedia vind ik niets, maar wel op de versie in het Engels. Blijkt dat Joos de voornaam van zijn grootvader gekregen heeft, en die man was ook al schilder: Joos de Tweede werd geboren in een kunstzinnige familie, leerde het vak van zijn vader, Bartholomeus, en werd in zijn tijd (1564-1635) meer dan goed bekend.

Hij werd al op zijn zeventiende lid van de Antwerpse Sint-Lucasgilde, maakte in de jaren 80 van de zestiende eeuw de obligate reis naar Italië, zou meer dan 500 schilderijen geproduceerd hebben, in zijn atelier, geholpen door zijn medewerkers: het is wel wat, voor deze man die niet meteen de grootste schilderkunstige naam van de (Zuidelijke) Nederlanden is. En toch zijn zijn werken de moeite van het bekijken waard.

Nu is landschapsschilderkunst een specialisme, een genre, zoals doeken over het binnenhuis van de burgerij of over kroegen en kroeglopers. Die doeken dienden ter verfraaiing van interieurs van degenen die het zich konden permitteren: ze maakten het leven mooier. Nu hingen die werken van De Momper bij de besten, de elite: Jan-met-de-muts  en Gerit de pintenpakker hadden wel andere besognes.

Ondertussen zijn de landschappen van De Momper aantrekkelijk, maar niet realistisch. Hij was in Italië geweest, was dus ook tweemaal door de Alpen gereisd, en had al wat meer gezien dan de Mark, de Aa, de Grote en de Kleine Nete. En met wat hij gezien had, ook bij Pieter Breughel de Oude, bouwde hij min of meer geïdealiseerde vergezichten. En hij geeft de ogen van de toeschouwers de kost, er is heel wat te zien. Centraal een smalle houten brug waarop twee zwaar beladen mannen die een ezel voortdrijven, aan de linkerkant vijf mensen die al verder op weg zijn, en voor de brug een
viertal bomen, in een storm omgewaaid en afgeknakt: de kracht van de natuur laat De Momper ook zien. De rechterkant is tot in de hoogte uitgewerkt: een grote rots steekt omhoog, en daar is dan een ander bruggetje tegen gebouwd, waarop een mannetje naar een torentje wandelt: een strategische versterking misschien? Een diagonaal van links naar rechtsboven delen het doek als het ware in tweeën,, en de bergen in de achtergrond geven het schilderij veel diepte: je krijgt een mooi vergezicht.

Televisie bestond natuurlijk niet in het begin van de zeventiende eeuw, maar je kunt dit werk nog zien als een still uit een of ander reisprogramma, 'Reizen Waes' van vierhonderd jaar geleden, maar hier dan 'Reizen De Momper'. En Wees er maar van overtuigd dat hij er veel verkocht heeft.

Het begrip 'romantisch' bestond toen evenmin, maar je kunt hier toch nogal wat romantische kenmerken in herkennen: exotisme - je krijgt eens wat anders te zien - , escapisme - je kunt er lekker bij wegdromen en je verbeelden dat je elders bent - , de kracht van de natuur en de nietigheid van de mens: dit is niet zomaar een plaatje!


Berglandschap met afgeknakte dennenstammen in de stroom

Ik kan me nog voorstellen dat de gegoede Antwerpenaren die schilderijen best wel wilden hebben: de pas afgelopen zestiende eeuw was behoorlijk turbulent geweest: godsdiensttroebelen, de Spaanse Furie, de val van Antwerpen en de sluiting van de Schelde: de bevolking, en niet alleen in de Scheldestad, had wel wat te verhapstukken gekregen. Logisch dat de mensen iets anders wilden. Gevolg: De Momper lag goed in de markt.

De werken die je hier ziet, hebben dezelfde opbouw: rechts de donkere bergpartij, links de lichtere hemel. De mens is ook altijd aanwezig, hoewel je beter kan spreken van mensjes: het contrast met de overweldigende natuur is duidelijk. In 'Landschap met ruiters onderweg' ligt de nevel boven een dorp in de vallei, nauwelijks zichtbaar is het. Verder blauw-grijzige bergen, daarboven in een nog lichtere tint de hemel: De Mompers afwisselend kleurengebruik brengt wel leven in dit berglandschap.


Landschap met reizigers onderweg

Nog een berglandschap is lichter: links in de verte is de zon zichtbaar, opgaand of ondergaand, dat is niet duidelijk; schaduwen zijn niet te zien. In het dal priemt de toren van een kerk, een kruis staat in het midden tamelijk vooraan. Tegen een heuvelwand liggen nog eens afgeknakte bomen: verstopte handtekening van De Momper? Weer zijn er mensen: vier ruiters en een aantal bedelaars. Je zou kunnen zeggen dat de christelijke symbolen de ruiters moeten inspireren om mild te zijn voor de armen. Wie weet of De Momper hier een boodschap van caritas heeft willen binnensmokkelen?


Berglandschap met vier ruiters en twee bedelaars

Deze landschappen behoren tot de decoratieve kunst, tenminste die functie hadden ze indertijd. Maar toch is er allerlei te zien in die werken, en zo blijven ze ook nu nog altijd interessant om naar te kijken en om ze te bestuderen. Ik hou wel van Joos de Momper II.

Ook leuk is te weten waar deze schilderijen zich nu bevinden: in de 'Staatliche Kunstsammlungen Dresden'. De verwoesting van de stad in februari '45 heeft kennelijk niet alles kapot gekregen: gelukkig maar.

donderdag 4 mei 2017

Rik Wouters: nog enkele werken - 3

Om af te sluiten: foto's van enkele schilderijen, zonder meer.


Portret van Rik (zonder hoed), 1911


De strijkster, 1912


Landschap te Bosvoorde, 1914


Open venster op Bosvoorde, 1914


Vrouw in het wit, 1915


Vrouw aan het venster, 1915


Zelfportret met de zwarte ooglap, 1915

woensdag 3 mei 2017

Rik Wouters: schilderijen - 2

Nog een schilderij waar ik weg van ben: 'Het ravijn B', olieverf op doek, uit 1913. Het bedoelde ravijn ligt in het midden van een bos: vier lange bladerloze stammen breken de eentonigheid, en tussen al dat verticalisme zie je op de achtergrond een brug waarop een ruiter op een wit paard, heel klein in dat weelderige woud. Als ik voor dit doek sta, wordt mijn aandacht daardoor onmiddellijk getrokken: dat is een oplichtend punt, nog versterkt door de witte stam ernaast. Verder kleuren genoeg: veel tinten van groen, licht en donkerder bruin, rood ook. De kleine ruiter, bijna precies in het midden, schept meteen ook veel diepte: ondanks alle begroeiing vind ik dit toch een weids schilderij: ik hou er wel van, dat zal duidelijk zijn.


Het ravijn B, olieverf op doek, 1913


Idem, detail

Als je in detail gaat, kun je zien met hoe weinig middelen ruiter en paard geschilderd zijn: schetsmatig zijn ze weergegeven, het paard een paar witte vlekken met een lichte, zwarte contour, de ruiter een streepje zwart, een witte rijbroek en een bruin schoentje. Of het om een man of een vrouw gaat, is niet eens belangrijk. Het is een nietig schepseltje in dat alles dominerende woud.


Idem, detail

Bij wijze van spreken: een rood bad. Het heet 'De gordijnen', uit 1913 is het. Nel diende weer als model, maar in dit geval is niet zij, maar haar rood-witte kamerjas van belang: die past natuurlijk het best bij de gordijnen aan weerskanten, en daar is het Wouters om te doen. Een overmaat van rood vermijdt hij door de achtergrond: die is lichtgeel met ook tinten van blauw.


De gordijnen, olieverf op doek, 1913

Een portret van 'Mevrouw Moreu-Wouters' - zijn zuster veronderstel ik - doet me nogal aan Henri Matisse denken: door de lichtinval, de tekening op het gordijn rechts, de tekening op het behang. Wouters en Matisse worden wel eens vaker als fauvisten beschouwd, maar volgens mij ontsnappen ze aan dit etiket: voor mij zijn ze veel meer dan dat.


Portret van mevrouw Moreau-Wouters, olieverf op doek, 1912

Een zelfportret toont de schilder in meer dan goeden doen, weer uit het jaar 1913. In dat jaar heeft hij echt veel geproduceerd: het was de tijd van de doorbraak, van het eerste succes. En dat blijkt uit dit werk: breed gerande hoed, sigaar, sjaaltje, deftig zwart jasje, en in goede gezondheid nog. Geen spoor van zijn tragische ziekte die twee jaar later in alle hevigheid toe zal slaan: dit is de geslaagde kunstenaar. Overigens: niet alleen in 1913 heeft Wouters hard gewerkt: het is verbazend hoeveel hij in zijn korte leven afgeleverd heeft. Wouters is 36 geworden, ongeveer zo oud als Mozart, nog zo'n productieveling op korte tijd, maar dan wel in een ander medium, dat zal klaar zijn.

Zelfportret met sigaar, 1913

Om met iets totaal anders af te sluiten: 'Nachtmerrie/Oorlog', aquarel op papier, 1914. Wouters suggereert een dreigend landschap: net boven wat je als horizon kan zien, vliegen zwarte kraaien. Voor de rest wanorde, chaos: bruin en donkerder bruin,  grijs en zwart, vuil roze, paars: je ziet geen vuur of vlammen, maar de hemel lijkt wel in brand te staan. Het werk komt wel binnen, moet ik zeggen. De kunstenaar zou de oorlog niet overleven: kort na zijn oproep werd hij gedemobiliseerd wegens ziekte, bracht anderhalf jaar in Nederland door, waar hij overigens nog gewerkt heeft, maar in 1916 kwam zijn leven helaas veel te vroeg ten einde.

Nachtmerrie/Oorlog, aquarel op papier, 1914

Men zou zich kunnen afvragen wat hij nog had kunnen maken als hij langer geleefd had, maar dat is onzinnig: hij heeft niet langer geleefd, en de rest is speculatie. Ondertussen kunnen wel volop genieten van wat hij ons nagelaten heeft, en dat is niet gering, om het met een understatement te zeggen: naar Brussel gaan kijken, zou ik zeggen, wil je het niet missen. Zeker doen!

dinsdag 2 mei 2017

Rik Wouters: schilderijen - 1

De beelden van Rik Wouters zijn terecht zeer bekend, zijn etsen zijn boeiend en verraden invloed van Ensor, maar zijn faam heeft hij toch in de eerste plaats te danken aan zijn schilderwerk. En men heeft niet op een schilderij meer of minder gekeken, op deze retrospectieve: ze zijn legio, en meer dan gewoon, buitengewoon moeten we dan zeggen.

Een werk dat ik ooit al wel gezien had, maar waar ik geen echte herinnering meer aan had, is 'Appels en kunstbloemen B (Hulde aan Cézanne)', olieverf op doek, uit 1913. Een lange titel is het, en Nel staat er niet eens op, en toch is het voor mij ieen doek dat niet 'Wouterser' kan zijn. Hoe belangrijk het spel van de kleuren hier is: een schitterend geel gordijn met blauwe tekeningen, een bezadigd rode tegenhanger aan de linkerzijde, centraal een blauwe spiegel met ernaast een donkerbruine wijnfles,de kunstbloemen links geel en groen, een vaas in Delfts blauw, rode appels, ook in schakeringen van geel op een wit tafellaken op de voorgrond, met nog een blauwe leuning van een stoel daarvoor: het is een uitbarsting, een 'uitspatting zonder end' van kleuren. Heel vrolijk word je van dit schilderij, dat wil zeggen, ik toch. Die kom je nog wel tegen op deze tentoonstelling, die schitterende, blije kleuren: ondanks zijn initiële moeilijke omstandigheden moet Wouters een zeer optimistische persoonlijkheid geweest zijn: 'Zeg maar ja tegen het leven' schijnt hij uit te schreeuwen!

Appels en kunstbloemen B (Hulde aan Cézanne), olieverf op doek, 1913

Die 'Hulde aan Cézanne' ligt op de voorgrond: de appels. Als je niet te nauw kijkt zou je nog kunnen denken dat dit detail een echte Cézanne' is, maar die schilderde veel minder spontaan, en dat is dit detail toch wel. Maar de Fransman is hier duidelijk aanwezig.


Idem, detail

Nog zo'n 'uitspatting zonder end' is 'Herfst', olieverf op doek, ook uit 1913. Het kan niet anders of dat jaar moet bijzonder gelukkig geweest zijn voor Rik en Nel: en inderdaad, hij begon toen door te breken en succes te krijgen. De vrouw staat buiten, voor het open venster, de appelen van Cézanne liggen voor haar in een schaal, binnen op de vensterbank. Zij draagt een gele jurk, een blauwe sjaal, je ziet ook haar witte kraagje: geel-blauw is toevallig of niet mijn favoriete kleurencombinatie. De gordijnen links en rechts en het open venster geven het landschap in de achtergrond een magistrale diepte: mooi trucje van Wouters. En in dat landschap is de kleurenrijkdom weer overrompelend.


Herfst, olieverf op doek, 1913

Dat zie je nog beter op detailfoto's: in het open raam is het geel en blauw van de vrouw mooi weerspiegeld, achter haar zie je roodbruine herfstkleuren. Voor haar de appels: een combinatie van rood en blauw, met toetsen van geel.


Herfst, detail

In de achtergrond zie je een ander aspect van Cézanne: de daken en de huizen als kleurvlakken: je ziet de abstractie beginnen.


Herfst, detail

En boven die daken de kleuren van een beginnende herfst: groenig geel en rood. Je kan naar dit schilderij blijven kijken, zo rijk is het, je vindt er altijd wel iets nieuws in. Deze stralende herfstdag ademt ook weer geluk uit, het is nog een Wouters om blij van te worden. Een foto van dit werk heb ik ooit gebruikt voor een nieuwjaarskaart: als je beste wensen wil mededelen, is Wouters een stevige steun bij de communicatie.


Herfst, detail

Nog eentje om het af te leren, een schilderij dat ik ken onder de titel 'De metselaars'. Diepte door aan de rechterkant een gordijn, de dagkant van een venster en een hoog wit huis, lager gesitueerd (in de diepte) weer de kleurvlakken van de daken en twee metselaars aan het werk: op het rechtse huis liggen de welfsels er al op,  links is dat nog niet helemaal af: je ziet de balken van de zoldering nog liggen. Plaats van gebeuren is allicht weer Bosvoorde: in de achtergrond is de natuur duidelijk te zien: bossen en een meertje weerspiegelen een wit huis: en zo zie dat het centrale deel van het doek veel licht heeft, en dat is wat schilders altijd willen vatten.


Het open venster (De metselaars), olie op doek, 1914

Rik Wouters in het 'Museum voor Schone Kunsten' in Brussel: een belevenis zonder weerga! Warm aanbevolen.