donderdag 27 april 2017

Rik Wouters, A Retrospective - Beelden

Rik Wouters is een van mijn geliefkoosde schilders: ik heb al meermaals tentoonstellingen van zijn werk gezien, o.a. in het Schepenhuis in Mechelen, een jaar of vier geleden. Nu is loopt er in de 'Koninklijke Musea voor Schone Kunsten' in Brussel 'A Retrospective': altijd leuk, dat Engels, het bespaart drukinkt voor de landstalen en 'eigen haard is goud waard'. Maar dat is detailkritiek: het is een overrompelende presentatie van zijn werk: talrijke schilderijen waar de kleuren van afspatten, etsen, en ook prachtige beelden.

Het zotte geweld (1912)

Het bekendste van al zijn beelden is ongetwijfeld 'Het zotte geweld'. Het blijkt geïnspireerd te zijn door de choreografe/danseres Isadora Duncan, beroemd in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Wouters blijkt vier jaar aan dit 'Zotte geweld' gewerkt te hebben, van 1908 tot 1912. Het is een explosie van levensvreugde, het is vitalisme in materie uitgebeeld. In alle richtingen vliegt de euforie: rechterarm naar boven, de andere arm uitgestrekt naar links, linkerbeen opgeheven naar rechts, heel het lichaam in een onwaarschijnlijke curve - hoe blijft het beeld in hemelsnaam staan? Wat hij ermee wilde uitdrukken, spat er in alle richtingen van af. Nels hoofd - want zij stond model - maakt het allemaal nog sterker, bekroont als het ware het beeld: het gesloten ogen schreeuwt zij een oerkreet van redeloos geluk de wereld in: een toppunt van geluk zie je hier. Uit de audiogids: 'In 1942 omschrijft een criticus het beeld treffend als "het vastleggen van het ogenblikkelijke van de uitgelatenheid in een bacchantengestalte, verend op een teen, het rechterbeen hoog geworpen, de tors achterover en de vochtige mond in het lachende gelaat schaterend van genot". Die had het duidelijk heel goed gevoeld.








Oerkreet van redeloos geluk

Dromerij (1906)

Minder bekend en een heel ander gevoel uitdrukkend is 'Dromerij'; 'Rèverie' voel ik als titel geschikter aan, maar dat zal zeker aan mij liggen. Eigenlijk moest dit een beeld in danshouding worden, maar Nel was wat ziekjes, en kon de pose niet volhouden. Die dansende sculptuur wordt een paar jaren later dan 'Het zotte geweld'. Maar nu krijg je een naakt in een elegante houding, vind ik, hoewel de vrouw haar armen los achter het lichaam laat hangen: een zekere nonchalance spreekt daar uit. En ze glimlacht lichtjes: haar dagdroom schijnt haar wel te bevallen. Wouters is de kunstenaar van het geluk, kun je wel stellen. En of je dit beeld nu van rechts of van links fotografeert, blijft even aantrekkelijk. Een zeer minzame vrouw staat daar.














Huiselijke zorgen (1913)

Een ander zeer bekend meesterwerk is 'Huiselijke zorgen'. Het is al indrukwekkend door zijn afmetingen: meer dan 2,20 meter hoog benadrukken hoe groot de zorgen wel zijn. Er zit best wel wat leven in het beeld: kijk alleen maar naar de bewegende plooien van de lange rok. Als je het frontaal bekijkt lijkt het de structuur van een langgerekte 's' te hebben. Het hoofd neigt naar links en naar voren, en Nel ziet er zeer ontmoedigd uit, ze kijkt niet eens de wereld is, ze is totaal terneergeslagen, ze moet er geen verhaaltje meer bij vertellen, het beeld zegt het allemaal.





Wouters was een uitstekend beeldhouwer, zonder twijfel: daar overtuigen de beelden op deze tentoonstelling je wel van, als je dat al niet al lang wist. Maar deze retrospectieve biedt nog veel en veel meer: wouters had meer pijlen op zijn boog.

dinsdag 25 april 2017

John Williams: Augustus

Ik ben John Williams (1922-1994) aan het lezen, de Amerikaanse vergeten auteur die een paar jaar geleden 'herontdekt' werd, en die wel wat furore maakt. Ik ben begonnen met zijn roman 'Stoner', over het leven onder professoren aan een universiteit in Missouri en over een zeer koud huwelijk; het speelt zich af in de jaren 20 van de vorige eeuw. Een tragische vertelling, waarover hij eerder zakelijk bericht. In de boekhandel kostte mijn exemplaar € 12.5: daarvoor kun je het niet laten liggen.


John Williams

Uit de bibliotheek heb ik vervolgens 'Augustus' meegenomen, over de eerste keizer van Rome. Williams probeert een beeld te schetsen van de man, meestal Octavius genoemd, in een briefroman, met fragmenten uit het dagboek van Augustus' dochter Julia, en met uittreksels uit werk van de geschiedschrijver Titus Livius. Al deze geschriften komen uit de pen van Williams: we bevinden ons in Rome van het keizerschap van Augustus, maar het is geen historische studie: het is een fictief verhaal, over wat kan geweest zijn: 'literatuur liegt de waarheid' luidt het gezegde, en de roman komt inderdaad zeer geloofwaardig over.

En dan lees je dus brieven van beroemde personen uit de tijd vlak voor en vlak na het begin van onze tijdrekening: Maecenas en Horatius zijn daarbij, in het begin Julius Caesar, later Marcus Antonius en Cleopatra, Cicero en Brutus, Livia, de vrouw van Octavius, en de beste vrienden van de keizer: de top van de toenmalige politiek aan het woord. Je leest over moorden en zelfmoorden op bevel, kuiperijen in de senaat, want voor het streven van macht moet veel wijken. Onze zeden mogen dan wat verzacht zijn, maar voor macht hebben diegenen die ze willen nog altijd veel over: moraal en ethiek moeten nog altijd wijken als dat zo'n beetje uitkomt.


In het laatste deel van het boek (Boek III) kijkt Octavius op 9 augustus in 14 na Christus terug op zijn leven: hij heeft de wereld veranderd, vindt hij, de wereld zelfs verbeterd, maar hij vraagt zich wel af of het allemaal de moeite waard geweest is: een persoonlijk leven heeft hij niet echt gehad. En tijdens die bespiegelingen komt hij terecht bij de literatuur en de dichters. Een paar citaten:

Over zijn reactie op de moord op Caesar denkt hij nu als 76-jarige (ten tijde van de moord was hij 18-19:

'Hoewel ik het toen misschien niet had kunnen verwoorden, wist ik dat mijn bestemming eenvoudigweg hierop neerkwam: de wereld veranderen. Julius Caesar was aan de macht gekomen in een onvoorstelbare wereld'. (p. 371)


Maar als hij alles voor elkaar gebracht heeft, blijken er toch andere belangrijke dingen te zijn:

'Van de vele dingen die Maecenas voor me heeft gedaan, denk ik nu dat dit de belangrijkste is: ik mocht van hem kennismaken met de dichters met wie hij bevriend was. Dat waren de meest opmerkelijke mannen die ik ooit heb gekend'.
(p. 387)



Maecenas

'Ik kon de dichters vertrouwen omdat ik niet in staat was hun te geven wat ze wilden. Een keizer kan een gewoon mens de middelen geven om de meest buitengewone voorkeur voor luxe te overtreffen; hij kan zoveel macht verlenen dat maar weinig mensen zich ertegen durven verzetten; hij kan een vrijgemaakte slaaf met zoveel eer en glorie overladen dat zelfs een consul zich gedwongen kan voelen hem met eerbied te benaderen. Ooit bood ik Horatius de positie van mijn privésecretaris aan; hij zou er een van de machtigste mannen van Rome door worden, en een van de rijkste, zelfs als hij nauwelijks corrupt was geweest'. (p. 387-389) Maar de dichter weigert die positie.



Horatius

'Ik heb de dichters vermoedelijk bewonderd omdat ze me de meest vrije en dus de meest hartelijke mensen toeschenen, en ik heb altijd een band met hen gevoeld omdat ik in de taken die ze zich stelden enige overeenkomsten heb gezien met de taak die ik me lang geleden heb gesteld
De dichter bezint zich op de chaos van de praktijk, de verwarring van het toeval, en niet te bevatten domein van het mogelijke - dat wil zeggen de wereld waarmee we allemaal zo vertrouwd zijn dat maar weinigen van ons de moeite nemen die te onderzoeken. De uitkomst van deze bezinning is het ontdekken of het verzinnen van een vleugje harmonie en orde, die zijn te isoleren uit de wanorde die ze aan het zicht onttrekken, en het in overeenstemming brengen van die ontdekking met de poëtische wetten die hem uiteindelijk mogelijk maken. Geen generaal zal zijn troepen ooit zorgvuldiger in hun complexe formatie drillen dan de dichter die zijn woorden in de strenge ordening van het metrum dwingt; geen consul zal sluwer met de ene factie een front vormen tegen de andere om zijn doel te bereiken dan de dichter de ene zin tegen een andere afweegt om zijn waarheid te tonen; geen keizer zal de ongelijksoortige delen van de wereld ooit zorgvuldiger tot een geheel smeden dan de dichter de details van zijn gedicht ordent om een andere wereld, misschien werkelijker dan de wereld die we zo onzeker bewonen, in het universum van de geest van de mens te doen ontstaan.' (388-389)


En zo blijkt de keizer ook maar een mens te zijn, die de 'condition humaine'  maar kan aanvaarden door wat de dichter/schrijver/kunstenaar in het universum van de geest schept. Literatuur is een noodzaak zegt Augustus/ John Williams.

John Williams, Augustus, Lebowski Publishers, Amsterdam 2014

maandag 24 april 2017

Plantin-Moretus Museum: de boekenverdieping

Op de eerste verdieping van het Plantin-Moretus Museum vind je de boeken, en af en toe ook een manuscript. Het grootste exploot van Christoffel Plantin is ongetwijfeld de 'Biblia Polyglotta' of 'Biblia Regia'. 'Polyglotta' omdat het een uitgave in vijf talen is: Grieks, Latijn, Aramees, Syrisch en Hebreeuws. En 'Regia' omdat Filips II van Spanje de opdracht gaf om deze bijbel te drukken. Het lijdt geen twijfel dat aan dit werk heel wat topgeleerden te pas zijn gekomen: ik denk aan theologen, maar zeker ook aan filologen: voor vijf talen heb je meer dan een paar bekwame taalkundigen nodig. En zeer deskundige drukkers natuurlijk: elke taal behoefde een ander, eigen lettertype! Druk eens Hebreeuws als je de taal niet kunt lezen: een beetje onvoorstelbaar toch. Het hele project is geresulteerd in acht kloeke delen, vier voor het Oude Testament, een voor Het Nieuwe, en drie delen commentaren en toelichtingen. Maar de firma Plantin bracht alles op vier jaar tijd tot een goed einde: er is van 1568 tot 1572 aan gewerkt. In de eerste zaal zie je het, de acht delen in een glazen kast: triomf van de boekdrukkunst en van de verspreiding van het Woord. Het drukken van bijbels en andere religieuze werken heeft Plantin overigens geen windeieren gelegd: hij stond bekend als humanist, maar die term betekende toen niet wat er nu onder wordt verstaan.


De Biblia Polyglotta

Vlak bij de originele editie ligt een facsimile: de eerste verzen van het boek Genesis in de vertaling van de heilige Hieronymus. 'Caput Primum' begint als volgt: 'In principio creavit Deus caelum et terra. Terra autem erat inanis et vacua'. Zoals we allemaal weten: 'In den beginne schiep God hemel en aarde. Maar de aarde was hol en leeg'. Verder gaat het over de duisternis die over de aarde hangt, maar dan zegt God 'Fiat lux', en het werd licht.


In principio creavit Deus caelum et terra . . .

Een wetenschappelijke uitgave is de 'Plantenatlas' van Rembert Dodoens, uit 1583. 'Plantenatlas' is niet de titel die Dodoens zelf aan zijn werk gegeven heeft: die is in het Latijn natuurlijk, en luidt 'Stirpium historiae pemptades sex'. Nauwkeurig getekende bloemen helpen duidelijk bij het determineren: 'caryophilleus minor' lees ik onder de bloem rechtsboven. Dat is een anjer, en de andere op die bladzijde zijn ook anjers. De tekst op de rechterbladzijde is in het Latijn, toen de taal van de wetenschap. En drukwerk van zeer hoge kwaliteit, dat is we zeker.


Dodoens: tekeningen van en tekst over anjers

Nog een zeer bekend boek: van Lodovico Guicciardini's 'Descrittione di tuti i Paesi Bassi', voor het eerst verschenen in 1567, maar niet bij Plantin, ligt er wel een Franse uitgave uit 1582, en die komt wel van Plantin. 'Description de touts les Pais-Bas' heet het werk dan, en bij neerlandici is dat altijd bekend gebleven. Het was dan ook een boek met enige ambitie: in zijn inleiding of voorwoord schrijft Guicciardini 'In deze beschrijving zal u zonder uw huis te verlaten en in korte tijd, de grote schoonheid, macht en edelheid zien van de zo wonderbaarlijke Nederlanden'. Als deze Italiaan dat al stelde, hij was nota bene van Florence, dan moet er wel wat van aan geweest zijn; hij woonde en leefde wel in Antwerpen. Het boek ligt open op een stadskaart van Leiden: het moet immers niet altijd Antwerpen zijn. Van 1576 tot 1585 werkte Plantin in Leiden, toen hij voor de Spaanse Furie gevlucht was. Na de val van Antwerpen keerde hij kennelijk terug.


De stad Leiden in Holland

Het midden van de vijftiende eeuw was de tijd vlak na de grote ontdekkingsreizen die West-Europa kennis liet maken met onbekende continenten. Die moesten natuurlijk in kaart gebracht worden: Mercator was de grootste geograaf van zijn tijd, maar Abraham Ortelius was ook geen kleine jongen: de twee heren werkten vaak samen, waar bij Ortelius meestal een beroep kon doen op de hulp van de man uit Rupelmonde. Zijn 'Theatrum Orbis Terrarum' verscheen voor het eerst in 1570, maar pas vanaf 1579 werd Plantin de uitgever ervan. Een exemplaar toont een deel van Duitsland: '
Saxoniae Misniae Thuringiae nova exactissima descriptio' noemt Ortelius de kaart, oftewel: 'Uiterst nauwkeurige beschrijving van Saksen, Meissen en Thüringen'. Ze wilden het allemaal heel goed doen, die nieuwe geleerden uit de zestiende eeuw.


Nova exactissima descriptio

Een schilderij op de eerste verdieping valt op: 'Balthasar Moretus op zijn sterfbed', van de hand van Th. Willeboirts Bosschaert, uit 1641. Toen overleed dus de derde ceo van de 'Officina Plantiniana'. Hij was de man die het huis 'De Gulden Passer' uitbreidde, en geld begon uit te geven aan andere doelen dan investeringen in het eigen bedrijf: meer luxe status werden belangrijk, want na bijna honderd jaar was zijn bedrijf een een onderneming van stand, een gevestigde instelling als het ware. Dat zou het blijven tot in de jaren 80 van de negentiende eeuw.


Balthasar Moretus (1574-1641) op zijn sterfbed

Het vernieuwde Plantin-Moretus Museum is zonder meer een must: je vindt er een heel groot deel van onze cultuurgeschiedenis van de zestiende eeuw. Je bent er getuige van de ontwikkeling van de boekdrukkunst, en van de wetenschappen, of het nu geografie, plantkunde, anatomie of taalkunde is. En niet te vergeten: bijbels en andere religieuze boekwerken. Een lust voor oog en geest is het, excellent werelderfgoed, in Antwerpen, maar dat Antwerpen ver overstijgt. Ten overvloede: een museum dat je gezien moet hebben!

zondag 16 april 2017

Plantin-Moretus: de passer en luxe

Tegenwoordig heb je passers in alle mogelijke maten en materialen: de lessen wiskunde kunnen niet zonder. Je hebt ook koperen en zilveren passers: daarvoor moet je al lang genoeg geleefd hebben, maar dan nog hangt het van je geslacht af welke van de twee moet kiezen: jongens bij jongens, meisjes bij meisjes, zoals vroeger op school toen de wereld nog deugdzaam was. Plantin zag het in nog edeler metaal: zijn huis heette 'De gulden passer', en die was meteen ook het 'logo' van zijn firma, vergezeld van zijn lijfspreuk 'Labore et constantia'. Het vaste been van de passer staat daarbij voor de standvastigheid, het draaiende been voor de arbeid; een bas-reliëf van het symbool, geflankeerd door twee mythologische figuren, hangt boven de toegangspoort van het huis. De medewerker van het bedrijf die de zaak binnenkwam, wist meteen wat van hem verwacht werd. Geen domme jongens waren die oude ceo's.


De gulden passer  - Labore et constantia

Plantin arriveerde in 1549 in Antwerpen en stierf 40 jaar later, in 1589. Hij en zijn opvolger en schoonzoon Jan Moretus investeerden alle geld dat het bedrijf opbracht weer in de zaak, en het is pas kleinzoon Balthasar Moretus die het oorspronkelijke pand uitbouwde tot een best indrukwekkend stadspaleis en ook anderszins liet zien dat hij meer dan bovengemiddeld in de slappe was zat. Je kunt je daar zeer goed een voorstelling van maken als je in de binnentuin staat: alles wat je rond je ziet, is Plantin-Moretus; een behoorlijk hoog kadastraal inkomen zou dat tegenwoordig vertegenwoordigen!


De binnentuin

Ook het interieur getuigt van veel rijkdom, weelde en luxe: ik had het al over de schilderijen. Ook zeer mooi is een kunstkabinet van ca. 1675: dergelijke meubelstukken waren tot ver in de zeventiende eeuw een begeerd Antwerps product! (In het Rockoxhuis staat er ook een). Dergelijke kabinetten konden heel wat inhoud hebben: juwelen, munten, waardepapieren. Laden hadden ze meer dan genoeg, zelfs geheime laatjes, dubbele bodems en andere verstopplaatsen: alleen de eigenaars konden alles makkelijk vinden.


Het kunstkabinet

Aan de voorkant zijn die laden en de centrale deurtjes beschilderd met bijbelse taferelen. Ene Hans Jordaens heeft dat gedaan, maar welke juist weet ik niet: er zijn meer kunstenaars met die naam, maar dat hij tot de familie van Jacob Jordaens behoort is wel zeker. Kleine kunstwerken heeft hij daarmee afgeleverd. Het rechterdeurtje toont Mozes die met zijn staf een bron uit de rotsen doet ontspringen. Tegen het einde van de 40-jarige tocht door de woestijn naar het Beloofde Land hadden de Israëlieten het moeilijk: voedsel was schaars en water was nergens te vinden. Het volk begon ontevreden te morren, maar toen gaf God Mozes het bevel met zijn staf op de rotsen te slaan, en zoals het bij de schepping 'Fiat lux' luidde, werd dat nu 'Fiat aqua'.

Volgens mij stelt de schildering op het linkse deurtje Jozef voor die voor de farao gebracht wordt. Die farao had dromen die hij niet begreep, en de gevangen Jozef stond desondanks bekend als dromenuitlegger. De Egyptische vorst liet hem dus komen, en Jozef kon hem uitleggen dat er zeven vette en dan zeven magere jaren zaten aan te komen. De farao stelt Jozef dan gelijk aan om tijdens de jaren van overvloed grote graanvoorraden aan te leggen om de jaren van schaarste door te komen. Wat hem lukte. Met Jozef loopt het later best goed af, maar dat is een ander verhaal.

Dat heb je soms met musea: je ziet veel moois, maakt er foto's van, bestudeert die thuis en zoekt verdere informatie, en dan stel je vast dat je een deel van je 'Gewijde geschiedenis' uit de basisschool weer ontmoet! 'Gewijde geschiedenis': de term alleen al, wie heeft dat vak ooit nog gehad? De verhalen uit de bijbel verteld en uitgelegd aan kinderen van tien-twaalf jaar. Ze helpen je veel later wel kunst te lezen en te begrijpen, en de mensen van toen.


De beschilderde deurtjes: Jozef en Mozes

Twee grote wandtapijten is hadden de Moretussen ook in huis: uit de zeventiende eeuw zijn ze, vermoed ik, want op een ervan is een man met een musket te zien, en dat was een soort van geweer dat in die eeuw gebruikt werd. De twee taferelen doen overigens behoorlijk barok aan. Het eerste tapijt staat in het teken van 'flora': links is een vrouw bezig een ruiker samen te stellen, voor haar knielt een man om een bloem te plukken, naast hem wijst een man zijn geliefde op de schoonheid van de bloemenpracht, terwijl zij zelf ook bloemen in haar rechterhand heeft. Rechts, op een bankje krijgt een andere dame een bloem aangereikt door  haar geliefde, en naast hen staat een jongetje met een vol boeket: de man heeft kennelijk nog meer argumenten achter de hand om zijn aanzoek kracht bij te zetten. Lof van de liefde en de schoonheid van de bloemen is dit.


Lof van de bloemenrijke liefde

Ernaast gaat het over de jacht: dat is het wandtapijt met de musketier. Vlak voor het rechtse paard staat hij: veel aandacht schijnt hij na de jacht te hebben voor de vrouw die tussen de twee paarden staat. De rechtse ruiter is met de dame in gesprek, de andere kijkt toe: twee, of drie heren werven om de aandacht van de schone in het midden van het tafereel. Rechts, in een kraampje, zit een paar gewone volksmensen: daar wordt kennelijk de buit bijeengebracht: op en voor hun toog ligt gevogelte waar nog smakelijk mee getafeld zal worden. De vraag blijft: aan wie zal de rijke dame haar liefde gunnen, wie heeft de hoofdvogel geschoten? Het zou het begin kunnen zijn van een roman over een romance, in te vullen met toekomstige passie en de daarop volgende tragiek.


In twee betekenissen: de jacht

Het MAS is groot en rijk, Mayer-Van den Bergh uiterst belangwekkend, met zijn 'Dulle Griet'  en nog heel veel meer, maar het Plantin-Moretus Museum is net zo goed een parel aan de Antwerpse kroon. Wat nog eens bewijst wat ik altijd beweer: Antwerpen is de interessantste randgemeente van Turnhout!

donderdag 13 april 2017

Museum Plantin-Moretus: druk en boek

Christoffel Plantin is geen geboren Antwerpenaar: hij werd ca. 1520 in het Franse Tours geboren, en vestigde zich in 1549 in de Scheldestad waar hij zijn drukkerij stichtte. 'Door arbeid en standvastigheid', 'Labore et constantia' maakte hij er de grootste van de toenmalige wereld van: als je van een geslaagde en zeer succesvolle immigrant wil spreken, dan heb je hier wel voorbeeld par excellence.

De spitstechnologie van toen is gelukkig bewaard gebleven: in het atelier kun je  de oudste drukpersen ter wereld zien, de gevulde letterkasten en ander werkmateriaal dat de 16de-eeuwse drukkers gebruikten. Om toch wel eventjes van onder de indruk te zijn: via deze middelen kwamen de vruchten van de nieuwe renaissancedenkers de wereld in, en konden ze 'massaal' verspreid worden: de arbeidsintensieve handschriften uit de middeleeuwen hadden afgedaan! Je zou kunnen zeggen dat toen een eerste, kleinere 'Verlichting' ontstond.


Zestiende-eeuwse drukpers


Letterkast

Plantijn gaf de werken van de knapste koppen van zijn tijd uit: Justus Lipsius, Rembert Dodoens, Abraham Ortelius, Simon Stevin en Cornelis Kiliaan zijn namen die nu nog ontzag afdwingen. De meeste boeken, en ook handschriften zijn te vinden op de eerste verdieping, en dat staat volgende week op mijn programma, maar beneden kun je ook van een paar werken de reproductie doorbladeren. Bijvoorbeeld van een 'kruidenboek' van Mathias Lobelius, uit 1581. Voluit is de titel 'Cruydtboek oft beschryvinghe van allerleye ghewassen, kruyderen, hesteren ende gheboomten'. Het heeft minutieuze tekeningen van de planten, in kleur, en een goede beschrijving. Op de foto's heeft Lobelius het over lelie-narcissen, waarmee hij tulpen bedoelt. De tulp was nog maar onlangs uit Turkije in de Nederlanden ingevoerd: ze wordt ofwel in het Latijn 'tulipa' genoemd, of in het Nederlands van toen 'lelie-narcis'; ze hoort inderdaad tot de familie van de lelieachtigen. Boven de linkse tulp staat te lezen: 'Geel Tulipan oft Lelie-Narcisse met korten breede bladers ende orange canten'. De rechtse beschrijft hij als 'Lelie-Narcisse oft Tulipa orange vlammende met gele hoofden ende een open bloeme'. Onder de tekening noemt hij ze samenvattend 'Gespickelde Lelie-Narcisse'. Dit is wetenschap, in dit geval biologie, met name plantkunde, in zijn beginjaren.


Gespickelde Lelie-Narcisse

Dat neemt evenwel niet weg dat Plantin ook veel religieuze werken gedrukt heeft, waaronder een beroemde vijftalige bijbel. Een reproductie van een bijbel in het Latijn ligt ook ter inzage. Ik kom uit bij het begin van het evangelie van Johannes, waarvan het eerste vers allerwegen bekend is: 'In principio erat Verbum', 'In den beginne was het Woord' in het Nederlands. 'Verbum' of 'Logos' in het Grieks, het tegengestelde van 'mythos': het lijkt wel een filosofisch-wetenschappelijke benadering van het zijnde. En dan gaat hij verder: '... en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen'. Tenminste: dat is de vertaling. Zo lees je toevallig iets meer dan de eerste verzen, en kom je door dat 'licht' dat door de duisternis niet verslagen kan worden, vanzelf bij de kern van de 'blijde boodschap'. Verstandige schrijver moet Johannes geweest zijn: je moet niet gelovig zijn om te beseffen dat over die tekst behoorlijk nagedacht is.


Begin van het evangelie van Johannes

En dat Woord werd met tekening of afbeelding kracht bijgezet: uit een 'Missale Romanum' uit 1837 een spectaculaire gedrukte ets van Jezus' Verrijzenis, waarbij alle al dan niet toevallige getuigen weggeblazen worden door dit ongeziene en onbegrijpelijke Gods wonder. Ook nog na drie eeuwen was religieus drukwerk een zekere bron van in komsten.


Christus' opstanding uit de doden

Van een hele tijd vroeger ligt er een gregoriaans missaal: altijd leuk om zo'n boekdeel weer te zien als je zelf in je jeugd 10 jaar gregoriaans gezongen hebt. Ik lees: 'Rex noster adveniet Christus, quem Joannes praedicavit', wat komt uit een gezang voor de tweede zondag van de advent, zo'n twee weken voor Kerstmis. Het betekent dan ook 'Onze Koning Christus komt, wat Johannes voorspeld heeft'. Plantin was ook een uitmuntende muziekdrukker: gregoriaans uitgeven moet in de zestiende eeuw geen sinecure geweest, durf ik te denken. Zelfs in reproductie merk je dat het drukwerk van hoge kwaliteit is.


Rex noster adveniet Christus: jeugdherinnering

En zo stel je vast dat je je eigen katholieke verleden kunt oprakelen door wat een ondernemende drukker/humanist vier en een halve eeuw geleden gepubliceerd heeft: onverwacht, maar ook een interessante belevenis. Benieuwd wat de eerste verdieping met al haar handschriften en boeken zal opleveren. Misschien meer wetenschap en emancipatie? Ik weet het volgende week.

maandag 10 april 2017

Museum Plantin-Moretus: schilderijen

Het Museum Plantin-Moretus is onlangs vernieuwd, bij de tijd gebracht, zeg maar, in nieuwerwetse taal heeft het een upgrade ondergaan. En het resultaat wil je dan wel eens gaan bekijken, vooral als het al een hele tijd geleden is dat je er nog geweest bent. Over boeken en drukken gaat het hier, over boekdrukkunst, de spitstechnologie van de zestiende eeuw. Dat bracht nogal wat geld op, wat resulteerde in een heus stadspaleis aan de Antwerpse Vrijdagmarkt: er zijn bescheidener stulpjes denkbaar! En de luxe dringt zich zowat overal op: wanttapijten, kunstkabinetten en schilderijen.

Dat begint al met een portret van Plantijn door Rubens. Toch kunnen beide heren elkaar nauwelijks gekend hebben: de drukker is gestorven in 1589, de schilder geboren in 1577, in Siegen dan nog, in Duitsland dus. Ik veronderstel dat het geschilderd zal zijn naar een ets van de man: het toont hem in ieder geval als succesvol bedrijfsleider: gekleed in het rijke zwart, met een mooie kanten kraag, zijn linkerhand rustend op een boek, een pen in zijn rechterhand: hij is zo klaar om aantekeningen te maken. De toeschouwer kijkt hij natuurlijk met open blik aan.


Pieter Paul Rubens, Christoffel Plantin

Het devies van Plantijn was 'Labore et constantia', 'Door arbeid en standvastigheid', en dat werd in een allegorie verbeeld door Erasmus Quellinus de Jonge ((1607-1678); zo'n 30 jaar jonger dan Rubens was hij. Het is een schilderij vol mythologische figuren: Hercules is de man aan het werk met de passer. Men zou denken dat zo'n krachtpatser daar niet meteen de geschikte man voor is, maar je moet het natuurlijk wel heel lang volhouden wil de firma succesvol blijven, en de vrouw die toekijkt is Constantia zelf: zij inspireert en controleert hem, en samen zorgen zij voor langdurig werk van hoge kwaliteit. Rond hen staan andere mythologische figuren alles belangstellend gade te slaan. Als je je bedrijf zo laat weergeven, dan ben je natuurlijk wel overtuigd van de belangrijke missie ervan. Echt bescheiden is het niet, maar terecht was het wel.


Erasmus Quellinus II, Labore et constantia

Een zeer mooi werk is een andere Rubens: het portret van Justus Lipsius (1547-1606). Hij was geboortig van Overijse, heette eigenlijk Joost Lips,maar als geleerde en man van zijn tijd verlatijnste hij zijn naam. Een topgeleerde was hij; humanist, filoloog en geschiedschrijver. Als man van stand zien we hem hier, met een prachtig geslaagde bontkraag: je zou er zo met je handen over willen strijken!


Pieter Paul Rubens, Justus Lipsius

Ook in 'De vier filosofen' herken je Lipsius makkelijk: hij zit aan een tafel met twee leerlingen, en de man links, een beetje op de achtergrond, zou Rubens zelf zijn. Dat is natuurlijk geen filosoof, maar het borstbeeld in de nis boven Lipsius stelt Seneca voor, en zo kom je dan toch aan vier filosofen. Overigens verneem je tijdens je bezoek wel dat dit niet Seneca voorstelt, maar in de zeventiende euw geloofde men wel dat hij het was. Wat er ook van zij: in zo'n stadspaleis was het humanisme nooit veraf.



Van een mij onbekende meester, M. Schoevaerdts (1660-1702) hangt er een 'Gezicht op de rede van Antwerpen'. In 1585 was Antwerpen gevallen, en veel handelsverkeer was er de Schelde dan ook niet: links op het schilderij ligt een pontonbrug, grote schepen kwamen toch niet meer binnen. Rechts van die brug is er wel bedrijvigheid: kleine zeilscheepjes waren af en aan. Het is geen werk dat de loop van de kunstgeschiedenis ingrijpend beïnvloed heeft, maar een eerlijk tijdsdocument is het wel.


M. Schoevaerdts, Gezicht op de rede van Antwerpen


Idem, fragment

Een fragment (voorgrond, centraal) laat het leven in een plaatsje op Linkeroever zien: Sint-Anneke zou dat moeten zijn, als ik het niet mis heb. En daar is best wel wat leven, in de buurt van het kerkje of kapelletje.

In het Museum Plantin-Moretus kom je dingen tegen die je er niet meteen verwacht: maar het is een patriciërswoning, een redelijk groot stadspaleis waarin mensen van stand en geld dat ook konden laten zien. Verrassend, interessant en mooi is het allemaal.

En de boeken? Daar heb ik het nog over. Want die zijn ook de moeite!